Schaal
de muren kijken mij aan
zonder te knipperen
de kamer meet mij
streng
met waterpas
ik leg mezelf
op de schaal
met bleke nerven
onzeker
nog naschokkend
armen en benen
vallen als luciferstokjes
van mij af
één voor één
geluidloos
blijf ik achter
als een onbegonnen ei
zwaar, koud
een paar graden
boven eenzaamheid
Een kier
ik zeg eerst nog:
misschien
een kier in het doek
niet met een mes
dat te hard
op kalkmuur stuit
maar aaibaar
met gevijlde nagels
als stilleven
hang ik scheef
boven de schouw
onder lagen verf
achtergebleven
van vorige versies
schuif ik aarzelend
naar een opening
Aankomst
de straat legt haar stenen neer
alsof ik een vergissing ben
ik wil oversteken
de overkant
trekt zich terug
de lantaarns draaien
hun gezichten weg
mijn schaduw
blijft hangen aan een hek vol klimop
een schreeuw
een raam klapt dicht
de avondlucht
houdt zijn adem in
ik verblijf
niet in mijn naam
ik ga liggen
tussen de wortels van een boom
die mij niet vraagt
waar ik vandaan kom
ik ben niet van hier
Het kind
het kind meet in hoeken
waar het licht niet komt
je borstkas groeit
als plek zonder uitleg
voorwerpen spreken
in plaats van jou
alsof jij niet wordt aangeraakt
een lepel die valt
er wordt niet naar je omgekeken
een gesloten deur
je staat aan de verkeerde kant van jezelf
je ziet jezelf in de spiegel
niet als beeld maar als vertraging
je bent te laat
het kind is al verder gegaan
je stem te zacht
je woede zonder adres
je vreugde die alles openzet
niet verdrietig
niet verdwenen
alsof je een huis binnenloopt
en dezelfde kamer terugziet
Ik draag de dag
als een jas waarvan de naden
naar binnen zijn gestikt
de ochtend hangt
vol haken aan mijn ribben
mijn polsslag
tikt voorbij de tijd
iemand zegt:
kijk me aan
alsof ogen
de kortste weg zijn
ik ken de trilling van een glas
de lucht die van richting verandert
zodra een lichaam verschuift
mijn hoofd verzamelt
wat anderen verliezen
ik ben een huis
waar alle deuren openstaan
niemand klopt
de schoenen van de wereld
stormen binnen
ik vouw mij tot een steen
raak mij niet aan
ik loop langs de binnenkant
van de wereld
ook stilte heeft een huid
Amfortas
in de vensterbank
wacht een zaad
ik geef het water
namen van bomen
de warmte van mijn hand
maar ontkiemen
is niet zijn weg
het bewaart een bos
dat nergens naartoe wil
iedere nacht probeer ik
mijn dromen open te breken
iedere keer schuift er iets tussen
een haar, een splinter
een vroege herfst
onder het zand
huilt een kind