Hoofdbanner

Septemberschemering

Ik heb jullie verzameld,
ik kan zonder jullie –

Ik ben je zat, chaos
van de levende wereld –
ik kan me alleen maar
voor even aan een levend wezen overgeven.

Ik heb je tot leven geroepen
door mijn mond te openen, door
mijn pink op te tillen, glinsterend

het blauw van de wilde
aster, bloesem
van de lelie, immens,
goud-aderig –

jullie komen en gaan; uiteindelijk
vergeet ik jullie namen.

Jullie komen en gaan, ieder van jullie
met een of andere tekortkoming,
op een bepaalde manier ermee geconfronteerd: jullie zijn
maar één leven waard, niet meer dan dat.

Ik heb jullie verzameld;
ik kan jullie uitwissen
alsof jullie een ontwerp zijn om weggegooid te worden,
een oefening

omdat ik je heb afgemaakt, visioen
van diepste rouw.


Louise Glück (1943 - 2023)
Uit: The Wild Iris, 1992
Vertaling: Fred Tak


Dit gedicht van de Amerikaanse dichteres Louise Glück, Nobelprijswinnares in 2020, gaat op het eerste gezicht over de teloorgang die de herfst zo kenmerkt. De titel maakt dit meer dan duidelijk. Het woord ‘Herfstschemering’ benoemt niet alleen de overgang van zomer naar winter, maar ook van dag naar nacht, van licht naar duisternis.  
Het begin is intrigerend:

Ik heb jullie verzameld,
ik kan zonder jullie –

Wie zijn die jullie, denk je dan. Eerst verzameld, dan weer kwijtgeraakt? Ik kan zonder jullie: er is sprake van een afscheid. Eerst bijeengeraapt, daarna weggedaan.

Ik ben je zat, chaos
van de levende wereld –


Ah, een van de facetten waar kennelijk afscheid van wordt genomen is de ‘chaos van de levende wereld’. Van de zomer, zou je als lezer in kunnen vullen, met al haar uitbundige, maar daardoor verwarrende levensvormen. Zie de zichtbare uiterlijkheden waar de ik-figuur zich maar met moeite aan kan overgeven, lezen we in dezelfde tweede strofe:

ik kan me alleen maar
voor even aan een levend wezen overgeven.

Oei, een bekentenis die aangeeft dat de ik-figuur het zwaar heeft in het leven. Waarschijnlijk moeite met relaties, vul ik zelf in. Kwetsbaarheid, angst, onzekerheid. Of problemen om zich aan een ander (‘een levend wezen’) te hechten?
Maar toch:

Ik heb je tot leven geroepen
door mijn mond te openen, door
mijn pink op te tillen,


De ik-persoon heeft de ervaren chaos zelf veroorzaakt. Als schepper: ‘Ik heb je tot leven geroepen’. Door het te benoemen: ‘door mijn mond te openen’. Door zelfs in het kleinste gebaar ervan te getuigen: ‘door mijn pink op te tillen’.
Deze chaos, het uitbundige leven van de zomer, was paradoxaal genoeg ‘glinsterend’.
Hetgeen zichtbaar wordt in de volgende strofe:

het blauw van de wilde
aster, bloesem
van de lelie, immens,
goud-aderig –


De rijkdom van de natuur wordt hier bezongen. De verscheidenheid aan kleuren, de overdadige bloei van planten: ‘immens, goud-aderig’. Alsof er zich een groot geluk openbaarde. Maar de omslag volgt al snel.

jullie komen en gaan; uiteindelijk
vergeet ik jullie namen.


Je voelt de heimwee, het verlangen naar betere tijden. De herinnering aan dit rijke leven dat wordt weggestopt: ‘uiteindelijk vergeet ik jullie namen’.

Jullie komen en gaan, ieder van jullie
met een of andere tekortkoming,
op een bepaalde manier ermee geconfronteerd: jullie zijn
maar één leven waard, niet meer dan dat.


Er is een herhaling van het ‘komen en gaan’, nu met een soort van bittere constatering dat niet alles volmaakt was of is. En waar de ik-figuur nu opeens resoluut en voelbaar teleurgesteld afscheid van neemt: ‘jullie zijn maar één leven waard, niet meer dan dat’.

Ik heb jullie verzameld;
ik kan jullie uitwissen
alsof jullie een ontwerp zijn om weggegooid te worden,
een oefening


We keren weer terug naar het begin: ‘Ik heb jullie verzameld’. Maar nu wordt het heft in eigen hand genomen. De ik-figuur kijkt als het ware neer op de teloorgang in de natuur, in het leven zelf, en besluit de baas erover te zijn: ‘ik kan jullie uitwissen’. Sterker nog, de ik-figuur ziet het als een oefening om met dit ‘ontwerp’ om te gaan: het kan weggegooid worden wanneer het erom vraagt.
Dan volgende de treffende slotstrofe:

omdat ik je heb afgemaakt, visioen
van diepste rouw.


Dat is het dus, de rouw, de diepste rouw zelfs, die hier wordt afgemaakt. Het woord ‘afgemaakt’ in de betekenis van voltooid, maar ook van dood gemaakt.

Wat een einde, zo scherp. Dit gaat verder dan een gedicht over de intrede van de herfst, als afscheid van een uitbundige zomer. Het is de vrolijkheid van het leven zelf waar afscheid van wordt genomen. Verder dan alleen een intense natuurbeleving ook.
Je voelt het verdriet, de rouw om wie of wat overleden is, zonder dat dit expliciet vermeld wordt. Overweldigend, als in een visioen.