Hoofdbanner

Er heerst een plaag van wilde ganzen in ons land, met name van nijlganzen. Zoals de naam al suggereert, dat zijn ganzen die normaliter in Egypte thuishoren. Maar sinds een jaar of dertig overwinteren ze steeds massaler op de weidevelden in Nederland. Ze horen hier niet, het zijn exoten. Een keer uit een watervogelcollectie ontsnapt, hebben ze zich hier zeer succesvol vermeerderd. Ze verdringen met hun agressieve gedrag niet alleen andere vogelsoorten, maar brengen ook veel schade aan het landschap toe, zowel in de steden als in het buitengebied.

Een belangrijke reden dat ze hier zo goed functioneren, naast onze relatief milde winters en een gebrek aan vijanden, is het Engelse raaigras waarmee de boeren hun weides in toenemende mate laten begroeien. Raaigras heeft twee opvallende eigenschappen. Het is veel eiwitrijker dan het gras dat oorspronkelijk in ons land aanwezig was, en het verdringt alle andere gewassen zoals paardenbloem, distels en boterbloem. Er ontstaat zodoende een monocultuur van alleen maar raaigras. Efficiency ten top voor de boeren. Ze hoeven hun koeien minder bij te voeren, en ze hebben geen ‘last’ van allerlei ‘onkruid’ dat minder opbrengst genereert.

Echter, zoals gezegd, het doet de nijlganzen niet naar de streken trekken waar ze in feite thuishoren. Waarom weggaan als er hier eiwitrijk voedsel in overvloed is. Dus blijven ze hier, het hele jaar door. Hun massale aanwezigheid richt veel schade aan, niet alleen in de stedelijke parken. Ze vreten er lustig op los. Veel raaigras op het weiland verdwijnt in hun maag. De boeren op hun beurt krijgen hiervoor van het rijk een compensatie, niet alleen in geld maar ook in het gebruik van zaden om de ganzen te voederen, zodat ze minder raaigras eten. Het gaat om een bedrag van €20 miljoen per jaar, is mij verteld door een natuurgids. Dat geld moet natuurlijk ergens vandaan komen. En waar wordt dat weggehaald? Juist, bij de natuurorganisaties, zei diezelfde gids. Want, is de redenering, het is om onze weidecultuur te beschermen.

Die natuurorganisaties doen fantastische dingen. Vaak werkend met vrijwilligers brengen ze de natuur zoveel mogelijk terug in een eerlijke, natuurlijke toestand. Dat ze hiervoor subsidie van het rijk krijgen voelt dan ook als nodig en vanzelfsprekend.
Maar, het voelt nogal krom om, daar waar de natuur op een eenzijdige manier wordt aangetast, zoals met het verstikkende raaigras en de overbevolking van nijlganzen, geld bij deze natuurorganisaties weg te halen. Natuurorganisaties die juist streven naar meer diversiteit in het landschap, naar meer evenwicht in de natuurlijke systemen. Krom, maar waar.
Zie daar de macht van de lobby’s van de agrocultuur. Van het vrije marktdenken ook dat onze politiek beheerst. Geld verdienen, nog meer geld verdienen, ongeacht de gevolgen op de langere termijn. Binnen harken wat nu nog kan. Nu het nóg kan, voordat de natuur in zijn geheel naar de knoppen is. Dat zien we dan wel weer. Na ons de zondvloed.