Hij hield haar hand stevig vast. Zo stevig dat hij een moment dacht haar pijn te doen. Ik moet me ontspannen, hield hij zichzelf voor. Rust uitstralen, niet in paniek raken.
Oké, ze waren verdwaald, dat was duidelijk. Het bos was geen vredelievende rij bomen meer, maar een lichaam dat hen steeds benauwder omsloot en hen steeds verder van de bewoonde wereld afbracht. Elk pad dat ze volgden kwam uit op dichtbegroeid struikgewas. Het was moeilijk nog een gangbare weg te volgen. Bramen, wortels, mos. Omgevallen boomstammen. Donkerder werd het, snel donkerder.
Hij voelde hoe haar vingers terug knepen. Er overviel hem een schuldgevoel dat hij haar had meegenomen. Maar wat kon hij anders? De kuilen in de weg, de auto die haperde. Ze moesten toch wat.
Hij keek opzij. Tranen in haar ogen. Maar ze mopperde niet, bleef stoer vooruit kijken. Hijzelf had geen richting meer, de plattegrond in zijn hoofd was waardeloos geworden. Toch bleef hij lopen. Stilstand stond gelijk aan overgave. Overgave aan de kou van de nacht en aan het wild dat tevoorschijn zou komen.
Hij had de hoop al opgegeven, toen ze tussen het struikgewas door een hutje zagen. Hoewel, een hutje kon je het niet noemen. Eerder een uit rafelige planken opgetrokken bouwsel. Er brandde licht. Voor het eerst verscheen er een glimlach om zijn mond. Mensen, bewoonde wereld, redding.
Hij klopte op de gammele deur. Geen antwoord. Hij probeerde de klink, de deur zat niet op slot. Ze konden zo naar binnen stappen. Hallo, riep hij voor de zekerheid.
De lucht rook naar droog stro en oud hout, maar ook naar brood, koek, noten. Langs de muur zag hij stellages met potten met augurken en bonen in keurige rijen uitgestald. Op de tafel, midden in het vertrek, een houten plank met een blok kaas. Een mes ernaast, uitnodigend om meteen toe te slaan. Nu pas merkten ze hun rammelende maag. Zonder na te denken sneed hij een stuk van de kaas af en gaf het zijn dochter. Ze stopte het direct in haar mond. Ze drentelde wat en keek wantrouwend om zich heen. Er klopt iets niet, zei ze. Dat voelde ze gewoon. Hij voelde met haar mee. Daarvoor kende hij haar te goed. Die band van vroeger was niet gauw door te snijden. Gelukkig maar.
Toch propte hij zich, hongerig als hij was, eerst nog vol met wat hij aan eetbaars kon vinden. Niet alleen kaas, maar ook een stokbrood op het kleine aanrecht in de keuken, en een zak vol pinda’s.
Er klonk gepiep, een deur ging langzaam open. Geschrokken keken ze beiden achterom. In de opening verscheen de gestalte van een vrouw. In haar rechterhand een geweer dat ze dreigend naar voren richtte. Haar ogen koud, als metalen knikkers zonder fonkeling. Haar mond strak, de lippen stijf op elkaar. Een vage glimlach, alsof ze haar bezoekers verwacht had. Ze zei iets, het klonk scherp, maar ze verstonden haar niet. Haar woorden klonken ook niet als taal maar als een vonnis: dit was háár huis. Met een strenge blik maakte ze dit duidelijk.
Ze wees met haar knokige vingers naar een deurtje achterin het vertrek. Verbouwereerd en enigszins lamgeslagen stapten ze die richting uit. De vader trok het deurtje open en daalde als eerste het trapje af naar beneden. De dochter volgde. Geen licht. De lucht was muf, de muren vochtig, het plafond laag. De vrouw riep weer iets, waarna ze het deurtje dichttrok. Toen het slot boven hun hoofden in elkaar klikte, drong het pas tot hen door in wat voor situatie ze beland waren.
De dagen die volgden waren eindeloos en tegelijk leeg. Elke ochtend – of wat zij voor ochtend hielden – klonk het geluid van het deurtje. Een schaal soep, een homp brood, een kan water. De vrouw zette haar dienblad op de rand van de trap en vertrok weer. Het deurtje weer knarsend op slot. Ze dachten aan ontsnappingsmogelijkheden, de vrouw te overweldigen, maar waren tegelijkertijd bang voor haar. Haar geweer week niet van haar zijde. Ze moesten iets slims bedenken.
Hun behoeften deden ze in een hoek van het vertrek. Het voelde smerig, en dat was het ook. Ze leefden te midden van hun eigen drek. De dochter vroeg telkens waarom ze hier zaten, wat de bedoeling van dit alles was. Ze hadden toch niets misdaan? De vader antwoordde telkens iets anders: misschien was de vrouw krankzinnig, of een kluizenaar die vreemdelingen haatte, of wilde zij hen bewaren voor een onbekend doel.
Hij wist het zelf ook niet. Wat hij wél wist, was dat de vrouw hen in leven hield, en dat dat een reden had. En dat redenen kunnen breken, veranderen, of omgekeerd worden.
Op een dag zag de vader wat hij eerder niet had willen zien: de sleutelbos aan haar riem. Groot en zwaar, net zichtbaar onder haar rok. Telkens als zij zich voorover boog om het dienblad met eten neer te zetten, bengelde die bundel dichtbij waar hij stond, stiekem onder de trap. Hij had een plan, al deelde hij die niet met zijn dochter. Ze zou teleurgesteld zijn wanneer het niet zou lukken.
Dagen gingen voorbij waarin hij de mogelijkheid tot ontsnappen proefde, herkauwde, afwoog. Tot eindelijk, op een ochtend, de dochter zelf ineens naar voren schoot en de vrouw bij haar benen greep. De vrouw schreeuwde, verloor haar evenwicht, en viel met dienblad en al met een ijzingwekkend gebonk naar beneden.
Zonder zich om haar te bekommeren renden de vader en zijn dochter de trap op naar boven. Bevrijd! Binnen de kortste keren stonden ze buiten, happend naar adem. Ze pakten elkaar beet, even een knuffel, maar dan was het wegwezen, weg uit dit smerige hol van gevangenschap.
Maar heel gek, ineens stond ze daar weer, pal voor hun neus. Als een heks. Waar kwam ze opeens vandaan? Kon ze soms toveren? Naar binnen, beval ze met haar ogen.
Ze trilden op hun benen, hun harten bonsden. Wat konden ze nu nog doen? Weer terug die kelder in? Onder geen beding, dacht de vader. Ze hadden nu van de vrijheid genoten, dat lieten ze zich niet meer afpakken. Hij zag dat de vrouw haar gebruikelijke geweer niet bij zich had. Wel blonk er een mes in haar hand. Het staal lichtte op tussen de plooien van haar rok. Terwijl hij langs haar schuifelde, voorzichtig, met een houding alsof hij heel bang was, stortte hij zich opeens op de vrouw. Er volgde een korte worsteling, hij wist het mes te bemachtigen en gooide dat snel naar zijn dochter. Vervolgens pakte hij de vrouw bij haar polsen en dwong haar eenmaal binnen naar de ruimte waar zij eerder opgesloten hadden gezeten. De vrouw was niet bij machte weerstand te bieden. Hij sloot het deurtje en draaide het met haar eigen sleutels dicht.
Opnieuw bevrijd, ging het door hen heen. Maar wat als de vrouw voor een derde maal voor hen zou opdoemen? Je wist nooit waar zij allemaal toe in staat zou zijn.
Op dat moment trilde de lucht van een nieuw geluid. Het begon als een gebrom, diep, zwaar, alsof de aarde van onderaf begon te grommen. Het groeide, zwol aan, tot het hele bos meetrilde. Zoeklichten sneden tussen de bomen door, vielen precies op de hut. De vader en dochter stormden naar buiten, hun ogen verblind door het licht, hun oren doof van het geraas. Mannen in uniform sprongen uit hun helikopter, pistolen in de hand. Hoe had men hen gevonden, hoe wist men waar zij waren? Wie of wat waren deze redders? Waren het wel redders of kwamen ze nu in een nieuwe fase van gevangenschap terecht?
In de helikopter legde de vader zijn hand op de schouder van zijn dochter, die tegen hem in slaap was gevallen. Hij voelde haar zachte ademhaling tegen zijn borst. Hij pakte haar hand. Er viel sinds lange tijd een rust over hem. Toch begreep hij er allemaal niets van. Misschien, dacht hij, zijn sommige raadsels niet bedoeld om opgelost te worden. Misschien is de redding zelf het raadsel: dat, juist wanneer je denkt dat de wereld jou heeft losgelaten, zij zich in volle kracht aandient. Niet als vriend, niet als vijand, maar als aanwezigheid.
Het verstrikte bos
Plaats reactie