Hoofdbanner

De tijd is uit zijn voegen

de dag trekt zijn schoenen aan
nog voor er voeten zijn

buiten
vliegt het blad van de bomen
alvast naar oktober

de straat hijgt
verkeerslichten knipperen zich
tot hoge koorts

een man steekt over
rinkels in zijn jaszak

de supermarkt husselt
seizoenen door elkaar
met ingeblikte haast

kinderen rennen
alsof ze achterna gezeten worden
door hun eigen toekomst

de tijd is uit zijn voegen
als paard uit de trailer
wildoogwit
schuim langs de minuten

zelf sta ik stil
althans
mijn huis probeert

maar mijn meubels trillen
op hun poten
de klok slaat uren stuk
tegen de muur

zelfs verdriet
moet transparant
deelbaar, als kort bericht
tussen twee afspraken

ergens
ver buiten de stad
kruipt een slak
over een tegel
voort

Opmerking: ‘De tijd is uit zijn voegen’ is een uitdrukking afkomstig uit het toneelstuk Hamlet van William Shakespeare.


Wat blijft gloeien

je woont in een spiegel
die het huis verlaat

je ziet nog net
je schouders tussen twee kamers

je hand in afwaswater
je haar vol tegenlicht

alsof je jezelf
alleen bereikt in het voorbijgaan

je bent vergeten
hoe je een winter droeg
onder je jas

nu vraag je toestemming
aan deuren
om de dag open te trekken

je glimlach
houdt zich klein
onder je ribben

het dier in jou
schuurt met zijn vacht
langs je longen

soms, wanneer je bukt
om een sleutel op te rapen
zie je het bewegen

de glans van de grote beer
onder je huid

je bent vergeten
wat de winter overleeft

een boom vol knoesten
in april ineens
wit uitslaand van bloesem

je ligt opgevouwen
in jezelf
als vleugels van een insect
wachtend op warmte

ergens, heel stil
begint je naam te gloeien


De zon als zoon

de zon
je noemt hem zoon
omdat hij komt
zonder vragen

hij opent de ochtend
met ongeduldige handen

op straat wordt zichtbaar
wat gisteren verdween
in de schaduw van nat asfalt

hij is ingetrokken
in plant, in huid
in schouders van mensen

hij is niet afgerond
niet te bewaren
een kind zonder verhaal

hij verbrandt
wat wordt verzwegen

hij scherpt randen aan
in stille instemming

zelfs de steen zegt ja


Twee soorten zwijgen

in de supermarkt legt de man
avocado’s op de band
alsof hij kleine planeten ordent

hard, tastbaar, weegbaar
groen licht

buiten staat de vrouw
tegen de wind in te praten
in overleg met wat
zich niet laat fotograferen

het kind vindt een dode merel
ze tilt het lijfje op
alsof warmte terug kan worden gedacht

de vader zegt: stof tot stof
de moeder zwijgt
en strijkt met twee vingers
de veren glad

een grensrivier
een kamer
waar niemand de sleutel van heeft

maar ’s nachts
wanneer de feiten slapen
ligt de stad open
als een wetend lichaam

zoeken ze
elkaars voeten
onder het dekbed


Hechting

ik dacht dat de wereld
een handvat had
als aan een pan

met jassen vol armen
monden die openklappen
alsof er mensen wonen

ik oefen mijn gezicht
voor de spiegel
tot het past

een soort met een ziel

vroeger was ik een steen
of een dier dat dorst kende
nu verzamel ik sleutels

ik probeer ze op bomen
maar er zijn teveel losse bladeren
om vast te houden

mijn lichaam schuift
herinneringsorganen heen en weer
als meubels in een pakhuis

als ik klein genoeg ben
past de wereld misschien om mij heen

ik loop verder
met tijdelijke botten
en een losgeraakte stem

iedereen doet
alsof er een midden is
waar je kunt blijven staan


Waar er wolken en vogels en mensentranen zijn

de lage luchten
waar het licht zich verplaatst
als een voornemen

een vogel scheurt
de stilte open
als een herinnering aan beweging

een taal vol warmte
net niet te verstaan

een uitgestoken hand
die raakt
zonder te bezitten

een denken niet in woorden
maar in dichtbij zijn

een betreden
als in water dat omsluit
wat erin stapt

waar er wolken
en vogels
en mensentranen zijn


Opmerking: de titel is ontleend aan een passage uit een brief van Rosa Luxembrug, die ze in 1916 schreef vanuit de gevangenis