De tijd is uit zijn voegen
de dag trekt zijn schoenen aan
nog voor er voeten zijn
de straat hijgt
verkeerslichten knipperen zich
tot hoge koorts
de supermarkt husselt
seizoenen door elkaar
met ingeblikte haast
kinderen rennen
alsof ze achterna worden gezeten
door hun eigen toekomst
de tijd is uit zijn voegen
als paard uit de trailer
wildoogwit
schuim langs de minuten
mijn huis: de meubels
trillen op hun poten
de klok slaat uren stuk
tegen de muur
aan de kapstok
hangt jouw jas van gisteren
Opmerking: ‘De tijd is uit zijn voegen’ is een uitdrukking afkomstig uit het toneelstuk Hamlet van William Shakespeare.
Knoesten
je woont in een spiegel
die het huis verlaat
je ziet nog net
je schouders tussen twee kamers
je hand in afwaswater
je haar vol tegenlicht
alsof je jezelf
alleen bereikt in het voorbijgaan
je bent vergeten
hoe je een winter droeg
onder je jas
nu vraag je toestemming
aan deuren
om de dag open te trekken
je glimlach
houdt zich klein
onder je ribben
het dier in jou
schuurt met zijn vacht
langs je longen
soms, wanneer je bukt
om een sleutel op te rapen
zie je het bewegen
de glans van de grote beer
onder je huid
je bent vergeten
wat de winter overleeft
een boom vol knoesten
in april ineens
wit uitslaand van bloesem
je ligt opgevouwen
in jezelf
als vleugels van een insect
wachtend op warmte
ergens, heel stil
begint je naam te gloeien
De zon als zoon
de zon
je noemt hem zoon
omdat hij komt
zonder vragen
hij opent de ochtend
met ongeduldige handen
op straat wordt zichtbaar
wat gisteren verdween
in de schaduw van nat asfalt
hij is ingetrokken
in plant, in huid
in schouders van mensen
hij is niet afgerond
niet te bewaren
een kind zonder verhaal
hij verbrandt
wat wordt verzwegen
hij scherpt randen aan
in stille instemming
zelfs de steen zegt ja
Hechting
ik dacht dat de wereld
een handvat had
als aan een pan
met jassen vol armen
monden die openklappen
alsof er mensen wonen
ik oefen mijn gezicht
voor de spiegel
tot het past
een soort met een ziel
vroeger was ik een steen
of een dier dat dorst kende
nu verzamel ik sleutels
ik probeer ze op bomen
maar er zijn teveel losse bladeren
om vast te houden
mijn lichaam schuift
herinneringsorganen heen en weer
als meubels in een pakhuis
als ik klein genoeg ben
past de wereld misschien om mij heen
ik loop verder
met tijdelijke botten
en een losgeraakte stem
iedereen doet
alsof er een midden is
waar je kunt blijven staan
Het laatste spoor
lage luchten
waar het licht zich verplaatst
als een voornemen
een vogel scheurt
de stilte open
veren dwarrelen
een taal van zachtheid
net niet te verstaan
een uitgestoken hand
die raakt
zonder te bezitten
water dat omsluit
het laatste spoor
waar er wolken
en vogels
en mensentranen zijn
Opmerking: de laatste drie regels zijn ontleend aan een passage uit een brief van Rosa Luxemburg, die ze in 1916 schreef vanuit de gevangenis
Flow
de pen weet eerder dan ik
wat zich losmaakt
als een dier
dat uit een donker bos
zijn kop opheft
tussen wat geweest is
en wat zich nog verstopt
scheurt iets open
breed genoeg
voor een komma
voor iets nog zonder naam
de tijd vliegt
uit zijn voegen
regels zingen zichzelf
halsoverkop
van golf naar golf
bruisend
als een rivier
richting de waterval
mijn hand blijft achter
als bewijs dat ik hier was