Hoofdbanner

Waar ben je

waar ben je
ik hoor je niet

de wind langs het raam
neemt elk begin
van je stem mee

de nacht trekt weg
uit je lichaam

het raam fluit
de ochtend binnen
ik blijf luisteren

zeg iets

hier
waar ik kniel
en wacht


Blinde vingers

zonsopkomst
ik huiver

koud licht
valt over de velden

de aarde laat los
wat haar vasthield

de wind schuurt
langs open wonden

mijn lichaam
houdt zich schuil

onder de blinde vingers
van de dag



Leegte

lange tijd
staarde ik in het niets

ik merkte hoe donker
het daar was
en koud

zwart als
aarde zonder bodem

met geuren
zonder geheugen

ik vergat mijn handen
mijn lijf

en als laatste
mijn hoofd


Een tweede hart

als een mythisch wezen
kwam je
mijn leven binnengestormd

je haalde mijn verstand
uit elkaar
legde de brokstukken
lachend
een voor een
langs de vloedlijn van mijn denken

je schonk me
schoonheid, een tweede hart

waarmee ik opnieuw
leerde verdwijnen



Beuken

wij staan stil
aan weerszijden van de laan

wij aarzelen
over wat hier hangt
tussen blad en bast

hooguit buigen we even
in het voorbijgaan

een langgerekte schaduw
trekt richting het oude kasteel

wij zwijgen


Sluier

je licht de sluier op
om te zien
waar je afscheid van neemt

je bent de kamer uit
gegaan, geen stoel
houdt je nog vast

de mist trekt op
je droom is bereid
spook te worden

geluidloos in de ochtend



Strijd

’s nachts de schittering
van koude sterren

overdag de zon
die inhakt
op wat zich wil verschuilen

de grond trekt samen
onder het licht

stenen houden hun adem in
gras legt zich plat

alleen de wolken
schuiven ertussen
en breken de slag



Herfst

het licht van de herfst
spaart je niet
het dringt binnen

beneden zingen
je voeten een afscheid
in lage tonen

daarboven haalt de wind
jouw hoofd uit elkaar

laat een helderheid achter

die blijft
als jij verdwenen bent


De bus

ik wacht
zonder te weten
op hoe of wat

de weg buigt achter de bomen

er komt iets aan
zonder naam

ik word stil
zoals dingen stil worden
voordat ze zich verplaatsen

tussen gaan en staan
verschuift iets in mij

niet als vertrek of aankomst
maar als wat
nog niet besloten is



De vreemdeling

wij zijn de eerste
altijd de eerste
die wakker wordt
en de vreemdeling ziet

een spleet in de lucht
is genoeg om hem
binnen te laten dringen

de peddels van uitputting
nog op zijn schouders

ontsteken wij
de lont in ons hoofd

en trekken ons
genoegzaam en
geheel onschuldig terug
in ons eigen ontbreken


Arrivé

ik kom thuis
leg mijn vleugels onder de bank

ik leg de wereld af
de kleuren
waaronder ik schuil

het geruis van woorden
de ogen van de straat

geen wimpels hier
geen muziek

alleen een hand
die in de lucht steekt


Bloedmaan

hij hangt daar
als een vrucht aan de hemel
volrijp, gloeiend

ik hoef nog maar
in het gras te liggen

achterwaarts
als een plant

met open mond
zonder verzet

ontvangen
wat dwarrelt