Hoofdbanner

ze heeft geen voeten nodig
ze kent de weg
door het open raam
langs gordijnen
onder het bed

noem haar niet donker
donker is een kamer zonder glas
het gat van een put

ze heeft wortels
groeit naar beneden als een boom
naar het natte, het oude
waar de klei zich 
een vorig leven herinnert

onder de aarde ligt het mes
waarmee je vader aardappels schilde
het gebeuren dat je moeder verzweeg

de diertjes
die je als kind begroef
ze ademen verder
langzaam, zonder haast
tot ze op een dag
als uit een droom wakker worden

op een middag
zag ik iemand naast mij lopen
met mijn schouders
met mijn hoofd, met mijn armen
hij had iets van mij afgepakt:
mijn gezicht

ik liep verder
hij ook
bij een sloot hield hij stil

onder het water bewoog
een sliert wier, een kikker
de hand van een verdronken tak
de herinnering aan regen

mijn lichaam is een huis
met een deur naar mijn buik
eentje naar mijn keel
en een die uitkomt
op een grasgroen weiland

naast een grote eik
staat daar een vrouw
donker, sluik haar
een spa in haar hand

ik vraag haar: wie ben je?
wie ben jij, zegt ze terug
en dan weet ik
dat dit geen vraag is
door een mens gesteld

hier spreekt de aarde
die onder het kerkhof
een tweede huis heeft gevonden
een foto, een ring, een brief

noodzakelijk stil
wordt het niet
stemmen blijven galmen

de trap piept en kraakt
dat ze ooit een boom was
in de zwiepende wind
ontworteld nu in elke tree

ik open een deur
daarachter: een andere deur
een trap, aan mijn voeten
een gestalte zonder hoofd

in de tuin trok ik ooit
een plant uit de grond
dat was een misverstand
de wortels klampten zich vast
aan klei, aan regen
aan de scherven van een pot

alsof de plant zei:
je denkt dat dit het leven is
kijk nog eens
de onderkant van een steen
de hand die zich sluit
om jou vast te houden

's nachts, wanneer de bloemen
hun hart naar binnen vouwen
denk ik aan de dieren
in hun kooien
hun geschiedenis, hoe ze
hardop ademen onder mijn bed

onder de straat hier loopt een rivier
daar weer onder ligt een stad
en onder die stad
ligt weer een nieuwe
opgestapeld

daar woont iemand
die op mij lijkt
mijn gezicht, mijn angst

hij wacht
in zaad, in water
in een naam
die nog niet is uitgesproken

als donkere vrucht
onder de huid

hij trekt
als een omgekeerde ik
aan de aarde, aan de doden
aan alles wat ik dacht
kwijt te zijn

zelf zweef ik een stukje
boven mezelf

beneden mij
zie ik de ochtend
trappelen als een ongeduldig paard
licht komt binnen
zoals het altijd binnenkomt
de tafel krijgt een rand
de stoel haar poten
en daar, ja
een eerste schaduw op het hout

ik leg mijn hand erop
niet om haar te bedekken
alleen om te voelen
hoe warm zij is

dat is ze, warm
levend

onder mijn palm
begint iets te groeien
iets dat daar al die tijd heeft gelegen
met zijn mond tegen de aarde
en dat nu heel zacht
ritmisch begint te bewegen