ik begin niet waar je denkt
niet bij de regen
die tegen het raam klettert
niet bij de rivier
op kaarten getekend
als een blauwe zenuw
die ergens naar zee moet
alsof ergens naartoe moeten
een eigenschap van mij zou zijn
ik begin
in de mond van een kind
dat voor het eerst zegt:
mijn
en daarna: nee
en daarna: ik
zelf weet ik niets van ‘mijn’
en niets van ‘nee’
het komt zonder toestemming binnen
het maakt de tong zwaar
het maakt lippen los
het gaat liggen waar het niet gevraagd is
en wacht
wachten is de oudste vorm
van in beweging komen
je kunt mij niet bevelen
zoals je een deur beveelt
dicht te blijven
je kunt een deur op slot doen
een muur bouwen
een grens trekken
met prikkeldraad
met beton
met een vinger op een kaart
ik kijk niet naar kaarten
ik ga onder deuren door
ik kruip en sluip naar de kelder
ik vind een kier
die nog niet wist dat hij een kier was
iemand zei:
doe de kraan dicht
alsof ik luisterde
alsof ik ooit ergens
ben begonnen met spreken
en nu mijn mond moet houden
er wordt een hand in mij gestoken
en niets gebeurt
geen botsing
geen muur
geen pijn
alleen mijn zachte omhelzing
ik nestel me
in de lijnen van een huid
in de halve maantjes onder nagels
sommige mensen verlaten een kamer
zonder afscheid te nemen
een glas op tafel
een stoel naar achteren geschoven
aan hun lot overgelaten
in haast
in onverschilligheid
ik ken geen haast
noch onverschilligheid
ik ben betrokken
ik heb geen ogen nodig
ik neem mee wat ik tegenkom
een tak
een plastic fles
een blad
het karkas van een dier
ik maak geen onderscheid
tussen wat valt
en wat vrijwillig komt
soms ben ik bruut:
zwaaiende armen
die nog iets willen zeggen
worden beneden
alle grammatica ontnomen
en een kleinste afgescheiden eenheid van mij
druppel genaamd
is genoeg
om de hardste steen uit te hollen
overigens
een steen heeft geen mening
(dat laten we aan mensen over)
een steen denkt niet:
dit is vernederend
dit doet pijn
ik zal mij verzetten
hij haat mij niet
noch heeft hij mij lief
van zichzelf is hij
koud
soms denk ik aan mijn moeder de zee
ze neemt boten aan
olie, zout, de lichamen
van geliefden
een meisje op een pier
gooit een munt
achter haar schouders weg
de jongen naast haar zegt:
niet hardop een wens doen
ze vraagt: waarom niet?
omdat ze anders niet uitkomen
dat is wat jongens zeggen
wanneer ze niet weten
wat ze moeten zeggen
de munt zakt
ik pak hem op
en neem hem in mijn armen mee
maar wat
als ik besta
uit kleine weigeringen?
dat een druppel zegt:
niet hier
en een andere druppel:
ook hier niet
ik zal stromen
niet omdat elk onderdeel mij gehoorzaamt
maar omdat ik, samengevoegd
altijd weer de weg naar buiten zoek
ik win niet
ik versla niets
ik ben geen vijand tegenover een vijand
ik kom
ik blijf komen
ik verdwijn
en keer weer terug
ik stuit op een rots
de volgende dag is de rots
een millimeter minder rots
er is een woord voor het geluid
van mij tegen een raam
als je wakker ligt
en denkt aan iemand
die niet meer van je houdt
ik ken dat woord niet
misschien bestaat het ook niet
ik ben ik
de nacht is de nacht
een bed waarin iemand ontbreekt
is een bed waarin iemand ontbreekt
ik glijd langs het glas
zonder doel of betekenis
zoek het dan ook niet!
een kind springt in een plas
de wereld spat uiteen
tot aan zijn knieën
hij lacht
hij weet nog niet
dat rivieren huizen meenemen
dat een dijk
een zin is die mensen
tegen het landschap hebben geschreven
hier en niet verder
achter deze lijn
wonen zij!
ik lees slecht
ik lees helemaal niet
ik leg me tegen de dijk
met duizend handen tegelijk
en blijf liggen
niet boos
niet vriendelijk
aanwezig tot ergens
een stukje aarde verschuift
ik heb geen schouders
geen argument
geen geschiedenis
die ik als een schild
voor mijn borst kan houden
ik schuif op
waar dat nodig is
ook als de wereld geen antwoord geeft
een hand opnieuw
in mij ondergedompeld:
ik zal haar strelen
ik zal haar blijven strelen
net zolang
tot de aarde vergaat
Water
Plaats reactie