Wat mij zo aanspreekt in de filosofie van Simone Weil (1909-1943) is haar onverschrokken eerlijkheid. Zo dwars door alle buitenkanten heen gaat ze de diepte in. En wat komt ze daar tegen? Onder andere dat wat wij ons ‘ik’ noemen een illusie is.
Het is dit ‘ik’, schrijft ze, dat wij met alle mogelijke middelen dienen te bestrijden. Dan pas zullen wij een waarlijk mens worden. Waarlijk is voor haar: jezelf vergeten en aandacht opbrengen voor wat buiten je is. Opmerkzaam zijn, ontvankelijk. Het is een negatieve inspanning, waarbij je je openstelt voor dat waar je op gericht bent. Aandacht, aandacht. Voor de ander, voor je omgeving. Dat is de sleutel tot een gezonde samenleving.
Onderstaande citaten zijn van haar.
“We bezitten niets in de wereld – want het lot kan ons alles ontnemen – behalve de macht om ‘ik’ te zeggen. En dat is precies wat we moeten vernietigen.’
‘Geef alles op wat je je ‘ik’ noemt, zonder uitzondering. Besef dat er in je wat je je ‘ik’ noemt, niets is, geen enkel psychologisch element, dat niet door externe omstandigheden teniet kan worden gedaan. Aanvaard dit. Wees blij dat dit zo is.’
Het klinkt extreem, en dat is het ook. Maar persoonlijk voel ik me hier zeer verwant mee. Alsof ze rechtstreeks tot mij spreekt. Wat een heerlijke nietsontziende werkelijkheid. Hard en spiritueel tegelijk. Eindelijk iemand die door de façades van het leven heen prikt, denk ik dan. Die tot een kern komt. Een kern overigens die zo diffuus, overweldigend en niet te bevatten is als je je maar in kunt denken. Voor mij persoonlijk zijn haar inzichten veel dieper en wezenlijker dan wat de moderne psychologie hierover te vertellen heeft.*
Iemand die dat op een wat andere manier ook doet/deed, is de Portugese dichter/schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Ik heb al eerder over hem geschreven, in verband met de gelijkenis met het leven van Søren Kierkegaard, zie hier.
Hij splitste zijn ‘ik’ tijdens zijn leven op in verschillende heteroniemen (door hemzelf gecreëerde andere persoonlijkheden). Het leverde behalve rijke literatuur ook hilarisch aandoende polemieken binnen zijn eigen ‘ik’ op.
Het volgende schreef hij over zichzelf (In: Over heteronymie: psychische constitutie, 1915):
‘Ik weet niet wie ik ben, wat voor ziel de mijne is.
Wanneer ik met oprechtheid spreek, weet ik niet met welke oprechtheid ik spreek. Ik voel overtuigingen die ik niet heb. Ik ga op in vervoeringen die ik afwijs. Mijn voortdurend op mijzelf gerichte aandacht wijst mij voortdurend op verraad van de geest aan een karakter dat ik misschien niet heb, noch door die geest aanwezig wordt geacht.
Ik voel me meervoudig. Ik ben als een vertrek met ontelbare toverspiegels die tot bedrieglijke weerspiegelingen vervormen.
Zoals de pantheïst zich boom voelt en zelfs bloem, zo voel ik mij meerdere wezens. Ik voel mij andermans levens leven, in mij, onvolledig, alsof mijn wezen deel had aan alle mensen, middels een totaal van niet-ikken, gesynthetiseerd in een schijn-ik.’
Ook hier, wat een grenzeloze eerlijkheid. Scherp en nietsontziend. Ja, hier hou ik van. Wat blijft er van het 'ik' over als je het scherp ontleed? Wat is ons werkelijke wezen? Tja, daar moet ik voorzichtig zijn. Woorden volstaan hier niet of nauwelijks. Ze zijn slechts het jasje waarmee ik mijn bedoelingen omkleed.
Laat ik een voorzichtige poging wagen. Wij zijn, zeg ik schoorvoetend, afkomstig uit een verre lichtwereld, nogal bruut ondergedompeld in een (donker) aards leven. Als aan een elastiek van bovenaf losgelaten, met als achterliggend idee: val maar. Oftewel, zoek het maar uit. In de gnostiek spreekt men van de demiurg, een godheid die hier verantwoordelijk voor is. De hemelse achtergebleven god, die wij gewoonlijk met God aanspreken, staat/stond hier buitenspel. Nietzsche heeft dat goed aangevoeld met zijn uitspraak: God is dood. Inderdaad, wij moeten onze boontjes zelf doppen in dit aardse hol. Overgeleverd aan ziekte, ellende, haat, oorlog, ontworteling. De hemelse godheid ondersteunt ons niet langer. Ga er maar aan staan, dit is het leven. Niet echt leuk.
Maar, is mijn beleving, wij hebben een kiem van licht meegekregen tijdens onze schepping. Voor mijn verdere visie hierop verwijs ik naar mijn boek Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, en specifiek daarin mijn artikel over Kerstmis. Een goddelijke vonk, noemen sommige mystici dit. Een verre echo (oftewel beeld) van de hemelse God. Dat is ons werkelijke wezen, onze oorsprong ook. Maar hoe deze te bereiken, hoe deze aan te boren? Ons 'ik', oftewel onze identiteit, oftewel onze bepantsering om ons te handhaven in ons aardse leven, zit er als een dikke laag omheen. Het is dit 'ik' dat ons ervan weerhoudt om tot onze lichtoorsprong te komen. En dit 'ik' laten we niet los. O nee, het bevestigt wie we (denken te) zijn. We zijn zo bang om tot niets te vervallen, om niets te zijn. We willen ons aan de wereld laten zien, middels prestaties, middels uiterlijk vertoon. Onze hele maatschappij drijft erop. Waarmee we als het ware op de vlucht zijn voor onszelf. Steeds sneller rennen we vooruit in de vaart der volkeren. Onze helden zijn de uitblinkers in sport, in kennis, in macht en rijkdom. Zij krijgen de aandacht, en niet degenen die (onzichtbaar) dienstbaar zijn aan de wereld, die voor de ander zorgen. Die de wereld in principe leefbaar en draaiende houden.
Onze aardse wereld is van de buitenkanten. Ons 'ik' is daar een onderdeel van. Willen we tot onze diepste kern komen (die uit licht en liefde bestaat) dan zullen we dat 'ik' moeten doorgronden en afleggen. Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk. Een veel te grote opgave, voor mij, voor iedereen. Want hoe kan je jezelf blijven handhaven? Je bent en blijft gekluisterd aan het aardse. Het vraagt aanpassing, keuzes maken, contemplatie.
Een zoektocht, een worsteling, dat is het en dat blijft het.
* Met de door Carl Gustav Jung benoemde vijf archetypen uit het collectief onderbewuste, te weten persona, schaduw, anima, animus en 'het zelf' bijvoorbeeld kan ik niet zoveel. Ik beleef ze niet. Ze voelen voor mij aan als bedacht, als een constructie met het hoofd om grip op het 'ik' te krijgen (ik verwonder me ook altijd over mensen die dit 'zomaar' als waarheid of werkelijkheid overnemen).
Ook met de indeling van Sigmund Freud in het Es, het Über-ich en het Ich kan ik weinig. Nog minder eigenlijk dan bij Jung.
Literatuur:
Simone Weil – Levenswijsheden, samengesteld en vertaald door Frits de Lange, KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht, 2023
Fernando Pessoa – Gedichten, vertaling August Willemsen, Arbeiderspers, veertiende druk, 2024
Fred Tak - Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, uitgeverij Christofoor, 2017
Het 'ik' als illusie
Plaats reactie