het groen als gedachte
die nog niet is afgemaakt
de aarzelende krul van een varen
de glans van een blad
waarin de ochtend zich verslikt
het ontstaan van verlangen
de wijze man van vroeger
keek naar kleuren als gebeurtenissen
dat rood naar ons toekomt
blauw van ons weggaat
het licht als een botsing
van tegengestelde richtingen
die elkaar in het midden ontmoeten
dit midden is verlaten
een gure westenwind
drijft een ieder naar de rand
van de wereld (alsof die plat zou zijn)
het zaad weet
dat een dag een jaar kan zijn
een eeuwigheid zelfs
wanneer niemand kijkt
er opent zich een knop
nieuwsgierig naar ruimte
naar vrijheid
ze begint haar reis
als dunne herinnering aan de zon
de zon
kijkt niet terug
zij straalt in de bloemen zelf
de stengel gehoorzaamt
als een kind zijn moeder
onder de grond
waar geen kleuren zijn
wordt hard gewerkt
ontvouwen is wachten
in wortels, in stilte
wanneer de wind
begint te dansen
herkent de boom
de maat van de muziek
hij laat zijn blad vallen
als een brief zonder afzender
verlies, staat er
en ook: word lichter
laat los wat niet nodig is
het groen trekt zich terug
het geel nadert in hoge tonen
tussen beide
staat de wereld stil
niet kiezen
niet zeggen
dit ben ik
dit ben jij
niet alles hoeft
gedragen te worden
sommige dingen dragen zichzelf
zoals het zaad
het ligt daar
klein
bijna niets
opgevouwen in het donker
het mompelt:
stilte is een adem
die nog niet is uitgeademd
luister naar het bos
zo in rust
dat je je eigen hartslag hoort
alsof de aarde
met één vinger
op een trommel tikt
na de winter
neemt het mos de steen terug
het gras de grond
stengels kruipen
langs ranken omhoog
niet wetend wat licht is
en toch erheen
niet wetend
wat liefde is
en toch een bloem
het geel zelf
kijkt nergens naar
het is er
als de krullen
van een kind in de zon
het rood komt dichterbij
als blos op de wang van de aarde
het blauw trekt zich terug
in eigen verdwijnen
blad, stengel, mos
lucht, regen, zon
niets blijft hetzelfde
een boom blijft een boom
in haar klimmen
een bloem een bloem
door zich te openen
een mens een mens
door er een moment niet te zijn
ik sta stil
probeer aan niets te denken
zon, maan, God
de toekomst
een varen, zaad
een mier, een blad
een krullende zin
die zegt: begin hier
en ik begin met kijken
naar het groen
dat geen groen meer is
naar het geel
dat goud wordt
naar de boom die zijn armen
als een geliefde naar mij toebuigt
ik hoor de stilte
tussen de bladeren
precies daar
begint het lied
waar kleuren elkaar raken
waar licht een lichaam wordt
de verkleurende herfst
is geen afscheid
maar een onthulling
wij tellen
eén-twee-drie
links, rechts
nogmaals
een tak raakt een tak
een blad een blad
de kruinen schuiven opzij
als een gordijn
beneden
aan hun voeten
de steen die warm wordt
de druppel die valt
de slak die een zilveren spoor
op grijze tegels schrijft
te langzaam
om waar te nemen
wij zijn te snel
te ongeduldig
een wortel neemt een afslag
dieper de grond in
een mier draagt
de toekomst op zijn rug
ik loop verder
een tak blijft hangen
aan mijn mouw
alsof hij mij tegenhoudt
waar ga je heen?
nergens, zeg ik
de tak laat los
een blad dwarrelt voor mijn voeten
als een herinnering
die vergeten is
wat hij heeft meegemaakt
groen groent
waar het groenen kan
tussen stenen
in een kier op een graf
op het pad
een omgevallen boom
mos op zijn schouders
paddenstoelen aan zijn flanken
kevers in zijn buik
de dood is hier
een lied zonder zanger
een boek zonder woorden
wij staan erin afgebeeld
zonder foto
zonder naam
wij zingen
het lied van het licht
dat donker nodig heeft
en zie
het geel licht op
heel even
als een hand die ons groet
vanuit de duisternis
Het lied van groen en geel
Plaats reactie