Hoofdbanner

met zijn mond open
hangt hij aan een haak
alsof hij iets wil zeggen

ik steek mijn armen erin
als iemand die een huis binnengaat
links een zak, rechts een zak
in beide past een hand

ik trek de rits dicht
als iemand met een voorkant

buiten regent het

toen ik jong was
voelde ik me zonder jas
te zichtbaar was voor de wereld

alsof de kou
uit gezichten kwam
uit kamers waar volwassenen
zachter gingen praten
zodra ik binnenstapte

er is een verschil
tussen beschermen en verbergen

een knoop is een deur
die zegt: dicht
een kraag een hand
die zegt: hoger
een capuchon een hemel
die je over je hoofd trekt

en de zakken kamers
voor handen die niet weten
waar ze heen moeten

vandaag heeft mijn jas
een sleutel in zijn binnenzak
ik weet niet waarvan

er zijn mensen
oh ja, heel vriendelijk hoor
kom binnen, zeggen ze
doe je jas uit
het is hier warm
maar warmte is niet
het tegenovergestelde van kou

het is een hand
op je schouders
of iemand die luistert
naar wat je juist niet hebt gezegd

een jas als afspraak
tussen huid en wereld
tot hier
niet verder
hier eindig ik
en begint de ander

binnen, buiten
de verwarring wanneer iemand
je echt aanraakt

mijn jas ruikt naar de zee
het zout van de branding
de golfslag tegen mijn voeten

ze vergeet de vloed niet
als ze allang weer
aan de kapstok hangt

en ineens staat een dood iemand
weer in de gang
niet als geest
als geur in al haar vezels
een geest kun je nog wegsturen
een geur beklijft

hoe gaat het met je?
vraagt iemand
goed, zeg ik
en snel rits ik mijn jas dicht
als een klein dier
in mezelf opgevouwen
ik wil niet huilen
ik wil niet spreken

huilen is water
spreken is een deur

er zijn dagen
waarop ik mijn jas niet uitdoe
ik zit ermee aan tafel
ik slaap ermee
ik droom ermee

mijn jas loopt door de stad
en niemand merkt
dat ik erin zit
hij steekt over bij groen
koopt brood
zegt goedemorgen

hij heeft mijn paspoort
kent mijn handtekening
hij weet wat hij moet antwoorden
op de vraag: hoe is het?
prima, beter, druk

een huid
daaroverheen een hemd
dan een trui
daar weer overheen een huis
in dat huis een kamer
in die kamer een stoel

mijn jas hangt daar
hij is moe
mouwen die hangen
de zakken binnenstebuiten

ik steek mijn hand
in zijn binnenzak
een kleine sleutel
een stuk metaal
met de ernst van een besluit

nog altijd weet ik niet
waar hij op past
ik houd hem tegen mijn borst

buiten is het koud
binnen warm
tussen die twee: mijn lichaam

geen huis, geen muur
geen antwoord

de kamer raakt me aan
de lucht raakt me aan
mijn armen voelen vreemd
alsof ze al die tijd
in mouwen hebben gewoond
die niet van hen waren

ik adem
dat is alles

onder mijn adem
begint iets te bewegen
niet groot, geen stem
eerder een ritseling
die naar buiten wil

ik wacht
zonder jas

ik laat de kou komen
vanuit gaten en hoeken

ik hoor geschuif
van voeten over de vloer  
een langzaam naderen