Hij hangt daar. Al weken. Misschien zelfs jaren. Een dikke jas, donkerblauw, met een capuchon die opzij steekt. De mouwen hangen omlaag, als slappe armen.
De jas ruikt naar buitenlucht. Naar wind. Naar iets wat voorbij is, maar niet vergeten.
‘Die is nog van je vader,’ zegt moeder.
Ik raak de stof aan, voorzichtig, alsof de jas onverwacht tot leven zou kunnen komen. Dan sluit ik mijn ogen en probeer me mijn vader voor de geest te halen. Maar zijn gezicht blijft vaag. Alsof de tijd het heeft uitgewist.
Ik hoor voetstappen. Gemompel, een kuchje. Een stem, gedempt alsof hij van onder water komt: ‘Zullen we een wandeling maken?’
Ik ben niet eens verbaasd. Ik pak de jas van de haak en trek hem aan. Hij past precies. Het voelt vreemd. Alsof mijn vader verder leeft, niet in de stof van de jas, maar in mij. Alsof hij mij omhelst met een verleden dat ik niet ken en waar ik nieuwsgierig naar ben.
Ik stap naar buiten. Het regent. Ik trek de capuchon tot ver over mijn voorhoofd. De zakken zijn dieper dan ik had verwacht. In de rechterzak voel ik iets kleins en hards. Een kiezelsteen.
Ik stop hem snel weer terug, alsof ik betrapt ben.
De straat glimt. Bij de hoek blijf ik staan. Ik weet niet welke kant ik op zal gaan. Dan ruik ik iets. Natte bladeren, aarde, rotting. Ik adem diep in. Dit heb ik een keer eerder geroken. Ik weet alleen niet waar en wanneer.
Dan hoor ik weer een kuchje.
Ik kijk opzij. Ik zie een schouder, een arm, de rand van een donkere capuchon. Geleidelijk aan scherper. Alsof de gestalte naast mij aan het groeien is.
We slaan een paadje in dat langs een beekje loopt. De regen maakt kleine kringen op het water. Aan de overkant reiken de takken van een treurwilg bijna tot op de grond.
‘Kom je hier vaak?’ vraag ik.
De gestalte haalt zijn schouders op.
‘Vroeger.’
Meer zegt hij niet.
Ik pak opnieuw de kiezelsteen uit mijn zak. Ik leg hem plat op mijn handpalm en laat hem mijn metgezel zien. Heel even lijkt hij de steen op te willen pakken, maar dan trekt hij zijn hand terug.
‘Hoe kom je daar aan?’
‘Weet ik niet, ‘antwoord ik naar waarheid. ‘Hij zat gewoon in mijn zak’.
Het is even stil. Dan klinkt er opnieuw een kuchje.
‘Leg hem ergens neer,’ zegt hij. ‘Waar maakt niet uit.’
Ik kijk hem verbaasd aan.
‘Iemand vindt hem wel.’
‘En dan?’ vraag ik.
Hij haalt zijn schouders op.
‘Misschien legt die hem ergens anders weer neer.’
We lopen terug naar de straat. Bij een lantaarnpaal zie ik een stoeptegel die een stukje omhoogsteekt. Ik hurk en leg de kiezelsteen in het kuiltje ernaast.
Ik kijk op. De gestalte is weg. Alsof ik hem heb gedroomd.
Het blijft regenen. Ik steek mijn handen in mijn zakken. Het wordt kouder. Ik knoop de jas steviger dicht en loop verder.
De jas aan de kapstok
Plaats reactie