Eerste ontmoeting
Ik loop een klein café binnen, net na de middag, het licht valt schuin door de hoge ramen. Ik knijp mijn ogen samen. Tussen de tafeltjes zie ik een persoon zitten, voorovergebogen over een notitieboek. Het papier is volgeschreven met krassen, strepen, woorden die dansen. De pen beweegt snel, maar niet gehaast.
Het is een vrouw, ze kijkt op. Zacht, uitnodigend. Een kleine glimlach, bijna ironisch, speelt rond haar mondhoek. Ze tilt haar linkerhand op, als om te groeten, zonder het ritme van het schrijven met haar rechterhand te verstoren.
Op haar tafeltje liggen boeken naast haar notitieboek: een bundel poëzie, een schetsboek, een dikke roman. Een half kopje koffie staat dampend naast de stapel. Er hangt een aangename geur van oud, vergeeld papier.
‘Mag ik hier zitten?’ vraag ik.
‘Ja, natuurlijk,’ zegt ze. Niet uit beleefdheid, meer als een feit.
Terwijl ik plaatsneem, glijdt mijn blik door de ruimte: een tak die tegen het raam klopt, een vogel die voorbijschiet, het schuiven van stoelen van nieuw binnengekomen mensen. Het voelt als een filmopname, vertrouwd, alsof ik hem al vele malen heb gezien.
Dan legt ze haar pen neer, kijkt opnieuw naar mij en zegt: ‘Zie je het ook? Alles beweegt, zelfs als je denkt dat het stilstaat.’
Er is geen haast. Geen woorden die iets moeten verklaren. Alleen het licht trillende besef dat de wereld voller en vooral rijker is dan je denkt. Ik merk dat mijn adem vertraagt, dat mijn ogen fijner beginnen te zien, dat mijn oren scherper luisteren.
Ze glimlacht nogmaals, schrijft dan weer een zin op en zegt: ‘Of misschien ook niet. Misschien is alles gewoon hier, en wachten we op een ademtocht die het verklapt.’
Ze streept een paar woorden door, haast gedachteloos. Dan schrijft ze weer verder.
Ik kijk naar haar ogen, naar de beweging van haar handen. Voor een moment heb ik het gevoel een glimp op te vangen van iets wat achter de dingen verborgen zit. Een wereld die klein en tegelijk eindeloos is.
Als ze opstaat besluit ik met haar mee te gaan. Gewoon uit nieuwsgierigheid om te zien hoe zij leeft en wat zij doet. Ze legt haar hand in de mijne en kijkt me met volle ogen aan. Haar knik is voldoende.
De volgende dag
De ochtend begint stil. Ze schuift de gordijnen open, laat het licht binnen, maar draait dan haar hoofd weg voor de scherp binnenvallende zon. Haar bewegingen zijn traag, alsof haar lijf nog wakker moet worden. Niettemin is elke handeling vol aandacht. Het zetten van een eerste kop koffie, de boterham met kaas die ze tot zich neemt, het glas water waarmee ze een handvol supplementen wegspoelt. Een aandacht die gewoonlijk aan woorden wordt gegeven.
Haar pen ligt niet ver weg. Ze houdt hem tussen haar vingers, kijkt naar de punt, steekt hem half tussen haar lippen. Haar hand rust even, alsof hij iets navoelt. Zodra er een gedachte opkomt, buigt haar lichaam naar voren, bijna op de tafel leunend. Haar ogen vernauwen, haar mond wordt op een haast onzichtbare manier samengeperst. Alsof de woorden eerst in stilte moeten worden geproefd voordat ze verschijnen. Even een frons, de blik omhoog gericht. Dan de glimlach, de pen die weer weet wat ze moet doen. Niets herinnert nog aan een woelige nacht.
Later, tijdens een wandeling door de stad beweegt ze zich soepel over de paden. Elk geluid, elke beweging, elke schaduw merkt ze op: een kind dat lacht, de echo van een voetstap op klinkers, een vallend blad. Ze schrijft iets op een papieren strookje, vouwt het op in haar jaszak, om het pas thuis weer tevoorschijn te halen.
In een gesprek is haar stem zacht, bedachtzaam, met onverwachte ritmes. Ze pauzeert vaak, niet uit onzekerheid, maar uit luisteren. Haar antwoorden zijn nooit gehaast, elke zin lijkt een zorgvuldig gekozen aanraking. Er verschijnt humor, subtiel als een aai over je hoofd. De lach op haar gezicht vertelt meer verhalen dan woorden ooit zouden kunnen uitdrukken.
Thuis, in de schemering, verandert haar houding. Haar rug ontspant, haar schouders zakken, maar haar ogen blijven scherp. Op zoek naar iets wat zich misschien verstopt heeft. Achter een kast, buiten in de tuin. Kleine rituelen keren terug: het schuiven van een stoel, een blik op het raam, een pen die ronddraait tussen haar vingers. Ze leest een regel uit haar notitieblok hardop, als in gesprek met haar verder lege kamer. Want mij, ze ziet me niet.
Ze zit nu in een flow, beweegt tussen introspectie en aandacht voor de wereld, tussen stilte en geluid. Er hangt een haast voelbare trilling in de lucht boven haar. Ze lijkt te zweven. Is half afwezig, half aanwezig. Ademt in ritmes die niet logisch zijn. Een dans in een wereld waarin gedachten, beelden en woorden met elkaar vervloeien.
Wanneer de nacht valt, schrijft ze letters tot nieuwe woorden, woorden tot nieuwe zinnen, zinnen tot een nieuw verhaal. Een pagina scheurt los wanneer ze die omslaat. Maar ze gaat verder, zonder op of om te kijken. Tot haar ademhaling een langzamer ritme aanneemt en haar pen moe lijkt te worden. Ze sluit haar ogen, haar vingers nog warm van de aanraking met papier en inkt. Ze laat de dag langzaam in stilte wegzakken. Zoekt haar dromen op om haar van nieuwe inspiratie te voorzien.