Hoofdbanner

In mijn jeugd, tot mijn 15e jaar, was ik helemaal bezeten van sport. Zelf voetbalde ik bij de plaatselijke voetbalclub (VZV) en scoorde ik als spits zo’n 30 goals per seizoen (een keer zelfs twee keer achter elkaar 6 doelpunten in één wedstrijd). Thuis was ik zo’n twee uur per dag met de bal in de weer. Tegen een muurtje schoppen, met de buurjongens een partijtje spelen, met mijn jongere broer overschieten etc.

Bij hardloopwedstrijden op school, op de voetbaltraining en op zomerkamp met ’t Gilde (een soort Verkenners) was ik steevast eerste. Dan ging vanzelf, ik stond er niet bij stil (letterlijk niet, ha). Voetballen en hardlopen waren mijn lust en mijn leven. Ik wilde in die tijd, naast het voetballen, graag op atletiek. Ik sprak daartoe een twee jaar ouder meisje uit ons dorp aan. Zij was lid van Trias, de atletiekvereniging uit Heiloo. Ze ging er twee keer per week met de bus naar toe. Een heel gedoe, met veel reistijd. Omdat ikzelf drie kilometer van ons dorp af woonde en wij geen auto hadden, was dit voor mij niet te doen.
Ze vertelde mij het een en ander over atletiek. Volgens haar waren er twee soorten hardlopers. Degenen die lopen om te winnen en degenen die lopen omdat hun lichaam dat fijn vindt. De eerste categorie stopt ermee zodra zij niet bij de eerste drie eindigen, terwijl de tweede categorie gewoon doorgaat, ongeacht de resultaten. Zijzelf behoorde tot die tweede groep, zei ze. Ze had er gewoon plezier in.

Ik denk nog vaak aan haar woorden terug. Ik heb atletiek altijd op de voet gevolgd, ben een tijdje (in Zutphen) jeugdatletiektrainer geweest, genoot vroeger van de tweestrijd tussen Sebastian Coe en Steve Ovett op de 800 en 1500 meter, de opkomst van Rob Druppers (die helaas door blessures moest afhaken), later de meerkampster Carolina Klüft, maar bovenal de lange afstand hardloopster Tirunesh Dibaba. Wat een prachtige manier van lopen had zij. Als een gazelle, met zoveel plezier in haar lijf. Zo vanzelfsprekend, alsof het haar geen enkele moeite kostte. Ik heb al haar wedstrijden gevolgd. Dat was telkens weer genieten. Ze was en is nog altijd mijn heldin.
Zie onder andere hier, Olympische Spelen Londen 2012 (vanaf 28.50): https://www.youtube.com/watch?v=b_St6ztVWCg
Kippenvel.
Of voor een kort (niet volledig) overzicht: https://www.youtube.com/watch?v=5AuAjeVM4Qk

Haar oudere zus Ejegayehu liep ook, minder mooi en minder succesvol. En weer later, haar nog jongere zus, Genzebe Dibaba: succesvol, maar in een stijl louter kracht op gebaseerd (en wellicht andere middelen). Nee, van haar was ik geen fan.
Als ik nu Femke Bol zie lopen, herken ik weer iets van Tirunesh Dibaba. Het lopen op souplesse, niet met het hoofd maar met de benen. Zo mooi om te zien. Daphne Schippers had dat ook voordat ze met die Amerikaanse coach in zee ging. Die versnelling op het laatst, het lichaam dat loopt en niet de persoon zelf. Alsof ze zichzelf oversteeg.

Dat is kunst. Dat je in een flow komt waarin iets van buiten (lijkt het) het van jou overneemt. Iedere musicus, schilder, dichter of schrijver zal dit herkennen. Je vergeet de tijd, alles stroomt, het komt je toe, je hoeft alleen nog te ontvangen. Het is mijn pen die schrijft, niet ik, zei Harry Mulisch hierover.
Bij voetballers zie je dit ook. Zodra ze alleen voor de keeper te veel tijd hebben om na te denken, gaat het mis. Hun hoofd neemt dan een beslissing, en niet hun lijf. Vandaar dat Lionel Messi zo’n geweldenaar is. Die voetbalt met plezier, louter vanuit instinct (Ronaldinho had dat ook).

We zagen het bij Femke Bol bij de finale gemengde estafette 400 meter op de WK atletiek in Boedapest in 2023. Ze liep voorop, was in feite sneller dan haar Amerikaanse tegenstandster, maar voelde (of hoorde) die dichterbij komen. Ze ging nadenken, verkrampte en viel zelfs met stokje en al. Ze vergat haar lichaam en verloor. Jammer, maar tegelijk menselijk. Want hoe doe je dat? Proberen te winnen, zonder echt te willen winnen? Kunst maken, zonder echt kunst te willen maken?
Sommigen kunnen dat. Zoals Herman Finkers eens zei: “De leukste grappen zijn toch die grappen die niét zijn bedacht. Maar ja, bedenk die maar eens.”