De eerste keer dat Eva het hoorde, was een doorsnee woensdagmiddag. Ze liep met een tas vol boodschappen door de smalle straatjes van het oude centrum. Opeens bleef ze staan. Een schreeuw. Rauw. De echo kaatste tegen de gevels. Ze keek om zich heen. De straat lag er onverstoorbaar bij. Ze haalde haar schouders op en liep weer door. Maar toen ze bij haar auto op de parkeerplaats kwam, galmde het geluid nog na in haar oren. Alsof het zich aan haar had vastgeklemd.
Thuis vertelde ze het aan Thomas.
‘Een schreeuw?’ vroeg hij, terwijl hij de krant niet eens neerlegde. ‘Zomaar uit het niets? Waarschijnlijk was het een kat. Of een kind vanuit een openstaand raam.’
‘Het was geen kat. En geen kind.’
Thomas keek haar even aan, alsof hij iets wilde zeggen, en besloot het niet te doen.
‘Het kwam… ik weet niet. Van overal en nergens.’
Hij glimlachte, al klaar met het gesprek. ‘Je bent moe, Eva. Dat weet je zelf waarschijnlijk ook.’
De zaterdag daarop had Eva een vrije dag. Eerst thuis wat aanrommelen, daarna met haar vriendin Noor naar de markt, een wit wijntje op een terras, even bijkletsen, het was een wekelijks ritueel waar ze altijd weer naar uitkeek. De schreeuw klonk opnieuw, in dezelfde winkelstraat. Dit keer scherper, wanhopiger. Nu was ze niet de enige getuige. Noor, die naast haar liep, trok wit weg.
‘Wat… was dat?’ fluisterde Noor.
‘Ik had je toch al verteld van woensdag?’ antwoordde Eva.
Ze stonden stil en keken omhoog, naar de bovenste ramen van de huizenrij. Onwillekeurig pakten ze elkaar bij de hand. De mensen om hen heen liepen door, druk en in zichzelf gekeerd. Ze leken niets te merken. Een oude man keek zelfs geërgerd op toen de vrouwen zijn looproute blokkeerden. Hij wilde wat zeggen, maar hield dan toch zijn mond.
‘Kom,’ stelde Noor voor. ‘Laten we samen wat drinken. Daar zijn we wel aan toe.’
‘Anders worden we nog gek,’ vulde Eva aan.
Lachend stapten ze naar het dichtstbijzijnde restaurant.
Nog diezelfde middag vertelde een klein meisje, Lotte, thuis dat ze ‘gehuil onder de grond’ had gehoord. Ze kwam terug van de kinderspeelplaats, met schrammen op haar knie en in haar gezicht. Ze zei niet dat ze door een groepje jongens gepest was. Ze hadden haar van de schommel geduwd, ze was hard weggerend en gevallen op het grindpad. Haar ouders wisselden een bezorgde blik en maakten een afspraak bij de huisarts. Niet alleen om de schrammen.
‘Inbeelding,’ zei de arts de volgende dag geruststellend. ‘Komt vaker voor op haar leeftijd. Zorg dat ze goed rust, op tijd naar bed gaat en vooral haar dagelijkse medicijnen inneemt.’
De week erna was het een pizzakoerier op het grote kruispunt bij het station. Het licht stond op rood en het verkeer had zich opgehoopt als een ongeduldig dier. Auto’s toeterden, fietsers slalomden vloekend langs bumpers, iemand riep iets onverstaanbaars uit een open raam. De koerier, een jongen van een jaar of twintig, zat stil op zijn brommer, helm op, handen losjes aan het stuur.
Tussen het alledaagse lawaai door meende hij iets anders te horen. Een geluid dat niet van boven kwam, maar van onderen. Hij kneep zijn ogen samen. Het leek aan te zwellen, samen te klonteren tot een wirwar van stemmen, fluisterend, klaaglijk.
Hij tikte tegen de zijkant van zijn helm. Misschien zat er iets los, was het een soort van resonantie. Het stoplicht sprong op groen. Maar hij reed niet weg. Hij zette zijn brommer aan de kant en trok zijn helm van zijn hoofd.
Het geluid was sterker nu. Het wegdek trilde. Bonk. Bonk. Iets onder de straat wilde zich naar boven worstelen, leek het. De jongen deinsde achteruit. Hij keek naar de stoep, naar de putdeksels, naar de scheuren tussen de stenen.
‘Horen jullie dat?’ riep hij hard, naar niemand in het bijzonder.
Een vrouw met een kind in een buggy bleef staan. Een man met een aktetas draaide zich om. Er werd nerveus gelachen. En toen, aarzelend eerst, veranderde er iets in het straatbeeld. Alsof er een grijze deken over de mensen werd gelegd. Blikken verstarden. Niemand liep nog door. Een oudere man legde zijn hand tegen een lantaarnpaal, kennelijk bang om zijn evenwicht te verliezen.
‘Het klinkt als…’ begon iemand, maar maakte de zin niet af.
Een man in een net pak fronste zijn voorhoofd en maakte een notitie in zijn agenda. Later zou hij zeggen dat het toen al voelde alsof hij iets had gemist door te lang rationeel te blijven.
De volgende ochtend stond er een stuk in de krant. “Onverklaarbare geluiden op kruispunt Stationsplein”. Er werd gesproken over verkeerslawaai, stress, collectieve suggestie. Een woordvoerder van de gemeente stelde gerust: er waren geen werkzaamheden gaande, geen lekkages, geen seismische activiteiten. Toch meldden zich diezelfde dag meer mensen. Een postbode. Een taxichauffeur. Twee scholieren die zwoeren dat ze ‘een raar geroep’ hadden gehoord tijdens de pauze.
Er kwam een onderzoek. Microfoons, opengebroken putten, doorgespit archiefmateriaal. Men vond niets.
Eva durfde de straat niet meer op. Ze hield de gordijnen dicht, luisterde naar de vloer, naar de muren, naar haar eigen ademhaling. Soms dacht ze het weer te horen, dof en ver weg, alsof het door water werd gedempt. Ze sliep slecht, schrok wakker van dromen waarin de stad door huizenhoge vloedgolven werd overspoeld.
Zelfs Thomas begon zich ongerust te maken. Niet zozeer om de geluiden, maar om Eva. En om zichzelf, toen hij merkte dat hij ook luisterde, steeds vaker, steeds gerichter.
Op een zondagochtend nam hij een van zijn werk geleende decibelmeter mee naar buiten. Noor ging met hem mee, samen met haar man. Het was koud, de straat lag er stil bij.
Ze stonden daar een tijdje. En toen hoorden ze het. Zacht eerst, als een ademtocht. Daarna duidelijker. Het klonk als jong, breekbaar, doordringend verdriet.
Thomas keek naar het schermpje van de decibelmeter. Geen noemenswaardige uitslag, alleen die van wat verre straatgeluiden en hun eigen stemmen. Hij pakte zijn mobiel uit zijn jaszak. Ook die registreerde niks.
‘Dit kan niet,’ mompelde hij.
Noor sloeg haar armen om die van haar man. ‘Alsof ze pijn hebben,’ fluisterde ze.
Thomas voelde een kou langs zijn ruggengraat trekken. Als ingenieur had hij geloofd dat wat bestond, te meten was. Maar hier was niets om aan vast te houden. Geen enkel bewijs. Alleen maar raadsels en een onbestemde angst. Thuis vertelde hij er niets over tegen zijn vrouw. Ze zou zich te veel ongerust maken.
Die nacht lag Eva lang wakker. Thomas sliep eindelijk, uitgeput door zijn eigen gedachten, zijn hand op haar arm. Het huis kraakte zoals het altijd had gekraakt. De verwarmingsbuizen tikten. De koelkast sloeg aan. Toch voelde alles anders, alsof de geluiden hun onschuld hadden verloren.
Ze schoof uit bed en liep op blote voeten naar de woonkamer. De vloer voelde kouder dan normaal. Ze bleef staan, precies boven de plek waar ze eerder die avond had gedacht iets te horen. Ze hield haar adem in. Daar was het weer. Niet luid. Niet eens duidelijk. Maar onafwendbaar. Het kwam van onder haar voeten, daar was ze zeker van. Eva liet zich langzaam zakken, knielde en legde haar oor tegen het parket.
Voor het eerst klonk er iets anders doorheen. Geen stem, geen woord, maar een ritme. Een soort cadans. Alsof er iets werd herhaald.
Ze schrok toen Thomas in de deuropening verscheen.
‘Eva? Wat doe je?’
Ze wilde antwoorden, maar durfde niets te zeggen. Bang dat ze het zou verbreken. Bang ook dat hij het dan niet zou horen.
‘Luister,’ fluisterde ze.
Thomas stond stil. Zijn gezicht vertrok. Hij knielde naast haar, aarzelend, en legde zijn hand op de vloer. Ze voelden allebei hetzelfde: een trilling, nauwelijks waarneembaar, maar onmiskenbaar.
Het geluid verstomde. Er viel een stilte die zwaarder was dan alles daarvoor. Toen klonk er iets nieuws. Een ritmisch geklop. Heel dichtbij. Precies onder hen. Iets of iemand onder de vloer leek hun aandacht te willen trekken.
Eva trok haar hand weg en begon stilletjes te huilen. Thomas staarde naar beneden, zijn mond halfopen, zijn verstand zoekend naar houvast dat er niet meer was.
Buiten begon een hond te blaffen. Daarna nog één. En nog één.
Eva wist ineens, met een zekerheid die haar misselijk maakte: dit was geen begin, het was een antwoord. Iets diep onder hen had gemerkt dat zij luisterden. Iets ver weg onder de stilte. Het klopte terug. Hier. In hun huis.
Dat innerlijk het onderdrukte gevoel gehoord wil worden en dat het vaak verdriet is.
Dat kan een schreeuw zijn van opgekropte emoties. Niet meetbaar voor een instrument.
Mooi!