Hoofdbanner

Van de drie grote Christelijke jaarfeesten wordt Pinksteren het minst gevierd. Het minst begrepen ook. Vraag je een willekeurig iemand op straat waar Pinksteren voor staat, dan zal hij al gauw zijn hoofd schudden: geen flauw idee. Er gaan dan ook stemmen op om Tweede Pinksterdag als vrije zondag te laten vervallen en in plaats daarvan 5 mei Bevrijdingsdag te kiezen. Hetgeen meer zou passen in de huidige beleving: de vrijheid moet gevierd worden. Pinksteren leeft niet onder de mensen, kun je concluderen.

Ga je terug naar de oorsprong en verdiep je je in de Christelijke feesten, dan zie je dat Pinksteren het eindstadium is van de weg die de Christus-figuur volgens de Bijbel op aarde doormaakte.
Het begin is Kerstmis, het feest van de geboorte, van het licht dat ons innerlijk vervult. Ons hart wordt hier aangesproken. De beleving vindt plaats in ons voelen.
Pasen, het volgende grote feest, is van de opstanding, van het ontwaken, van het tot inzicht komen dat we het materiële kunnen ontstijgen. Dat we ons bewust worden van het geestelijke in de wereld, van ons geweten, van ons hogere ik. Hier wordt een beroep gedaan op ons denken. Niet het rationele denken van de wetenschap, maar het denken vanuit ons hart, vanuit het gevoel dat we met Kerst hebben mogen beleven.
Pinksteren, zeven weken na Pasen, vormt de eindschakel van de grote feesten. Wanneer onze inzichten van het Paasfeest gerijpt en vergeestelijkt zijn, vindt er een soort van eenwording onder de mensen plaats, een begrip van waartoe wij allen voorbestemd zijn, in de Bijbel beschreven als het neerdalen van de geest als vurige tongen in de harten van de apostelen. Iets dat zich wellicht pas ver in de ontwikkeling van de mens zal voltrekken. Pinksteren is dan ook toekomstgericht. Nog lang niet aan de orde. Verre van zelfs, als je de huidige toestand in de wereld beschouwt. Onze innerlijke verbinding met Pinksteren vindt plaats in ons wilsgebied.

En daar zit hem net de crux. Want dat willen, daar zijn we ons nauwelijks bewust van. Waar zetelt het? In ons hoofd? In ons brein, zoals veel neurologen tegenwoordig denken? Als je in jezelf afdaalt, in contemplatie, in meditatie zo nodig, ontdek je dat ons willen in ons hele lichaam huist, met name in het gebied waar de spijsvertering plaatsvindt. Van daaruit, via het bloed en onze spieren, vindt het zijn weg naar buiten. Ook naar het hoofd waar het denken zetelt. Maar, ons willen is en blijft onbewust. We krijgen er moeilijk grip op. We beleven haar wel, als een soort van oerkracht, maar verder?

Onze diepste innerlijke wil, waar het Pinksterfeest in feite voor staat, is één te zijn met alle mensen op aarde, ongeacht kleur, herkomst, religie, geaardheid etc. Eén te zijn ook met de geest, met het Al, met het hele universum, met God, of hoe je dat ook wilt noemen. Maar kijk eens naar onze tijd van atheïsme (er bestaat geen God), van materialisme (er bestaat geen geest, alleen atomen en moleculen), van individualisme (waarin de ontplooiing van het ik centraal staat). Pinksteren past totaal niet in dit plaatje. Logisch dan ook dat de diepere inhoud van het Pinksterfeest niet herkend wordt. En dat er steeds meer stemmen opgaan om dit hele Pinksterfeest dan maar af te schaffen.

Maar goed, zover is het nog niet. Stel dat we wel een poging doen om het Pinksterfeest in ons leven te integreren, hoe zou dat er dan uit kunnen zien?
Nogmaals, de innerlijke beleving van Pinksteren zou moeten zijn een opgenomen worden in een soort van overkoepelende gemeenschap waar iedereen gelijk aan elkaar is. Elk individu voelt zich verbonden met de gehele mensheid, met alles wat er is.
Echter, onze tijd van individualisering vraagt ons los te maken van de gemeenschap, om zodoende onze strikt eigen kwaliteiten te ontdekken. Om daarmee onze bewustzijnsziel, zoals dat heet, te ontwikkelen. Daar kun je het mee eens of oneens zijn, het is een gegeven van onze tijd. Iedereen zal die weg (moeten) gaan.
Dit staat haaks op waar Pinksteren voor staat. Dat moge duidelijk zijn. Hoe dan toch deze twee (het gezamenlijke Pinksteren en de individuele bewustwording) met elkaar te verenigen?
Is dat mogelijk? Jawel, zeg ik dan. Daartoe kunnen we nagaan hoe de mens in het sociale leven staat.

We denken over het algemeen positief over onszelf. De meeste mensen deugen, schrijft Rutger Bregman. Dat klopt ook wel, echter met de kanttekening dat we onszelf over het algemeen slecht kennen. Waar we ons niet of nauwelijks bewust van zijn is dat we vanuit ons wezen niet of weinig ‘sociaal’ zijn. Alleen al als we ons een voorstelling van iets maken, in ons denken dus, zijn we ‘anti-sociaal’* bezig. Wanneer we dat doen, ontnemen we de ander namelijk zijn ruimte. We drukken hem met onze gedachten als het ware weg. Pas wanneer we het denken van de ander (zijn gedachten, zijn voorstellingen) in ons opnemen, worden we weer sociaal. Maar dit kan nooit lang duren, we zouden onszelf verliezen. Om intact te blijven, om onszelf te handhaven, moeten we onze ik-krachten weer aanspreken en zelf weer tot een voorstelling komen.
Het is belangrijk dit te erkennen, dat wij vanuit onze oorsprong ‘anti-sociaal’ zijn. Vooral waar op ideologische gronden samengewerkt moet worden, voorkomt dit besef veel onheil.

Ook in ons gevoelsleven zijn we ‘anti-sociaal’. Onze gevoelens spoelen als het ware heen en weer in golven van sympathie en antipathie, in een opnemen van de omgeving (van de ander) en een afstoten. Maar elk oordeel dat op sympathie en antipathie is gebaseerd, vervalst de werkelijkheid. We verkrijgen hiermee een scheef beeld van onze omgeving, van de ander. Ik heb het hier nadrukkelijk niet over ons dieper liggend gevoel dat je met het woord intuïtie aan zou kunnen duiden, een aanvoelen van de diepere betekenis van de dingen, maar over ons primaire gevoel van aantrekken en afstoten.

Het sterkste ‘anti-sociaal’ zijn we wellicht in ons wilsgebied. Juist omdat dit in ons onbewuste wortelt. We denken ons misschien te verbinden met anderen, maar dat is over het algemeen een kwestie van eigenbelang. Het is in een relatie meestal niet de liefde die ons bindt, maar het beeld dat we ervan maken, en dat we dan ook nastreven. De ander is er voor ons, om ons aan te vullen, om ons op te vullen soms ook. Wat wij liefde noemen is vaker dan we denken vermengd met eigenliefde. De ander fungeert als spiegel. Het is dan eigenbelang wat ons mensen drijft. En juist dit eigenbelang, deze eigenliefde die zich als liefde vermomt, maakt ons tot een ‘anti-sociaal’ wezen.

Hoe kunnen wij dan toch, als anti-sociale wezens ontmaskerd, tot een overkoepelende gemeenschap behoren, wel sociaal zijn, om daarmee in de geest van het Pinksterfeest te leven?
De sleutel daartoe blijkt in ons voelen te liggen. In feite moeten we (tijdelijk) een stapje terug doen. In de omgang met anderen zouden we niet moeten afgaan op het beeld dat op ons afkomt. Dat is immers vervalst. Want met onze eigen projectie vervuld. We zouden een houding van een volle verwachting kunnen aannemen. Proberen met de ander te ‘leven’. Niets ligt vast, alles is mogelijk. Zo’n soort houding.
Geleidelijk kan uit dit ‘leven met de ander’ het sociale zich ontwikkelen. Vooral in de ander beleven ‘wat wordt’, en niet ‘wat is’. Door zijn buitenkanten heen iets van zijn diepere wezen ontdekken.
In navolging geldt voor ons denken: niet zozeer de ander beoordelen of veroordelen, maar kijken en ontdekken wat deze sociaal voor ons betekent. Wat heb ik als individu aan anderen te danken? In feite alles, wanneer je dat eenmaal tot je door laat klinken: voedsel, kleding, onderdak, energiebronnen, onze infrastructuur, vervoer, noem maar op, het is allemaal tot stand gekomen door arbeid van anderen.
Dit ten volle in ons opnemen, wat anderen allemaal voor ons doen en gedaan hebben, geeft al een eerste sociale reactie. Er kan dankbaarheid uit ontstaan. Deze dankbaarheid kan zich uitbreiden, naar een grotere groep van mensen, naar de ons omringende natuur, naar de aarde als plek om te leven, naar alles wat daar verder omheen hangt.
En om bij het willen te eindigen: sociaal kunnen we worden door de ander te laten zijn wie hij is. Geef hem de ruimte. Probeer hem echt te begrijpen. Dit niet door met alle macht tot het diepste van hem door te willen dringen, maar daarentegen door geduldig af te wachten wat de ander brengt of zelf wil openbaren. Ontvankelijk zijn voor de ander, ontdekken wat hij wil, wat zijn drijfveren zijn, en jezelf daarbij zoveel mogelijk achterhouden.

Dit zou een manier kunnen zijn om het individu een plaats in te laten nemen binnen een gemeenschap waarin iedereen met elkaar samenwerkt. Zo koppelt hij zijn anti-sociale uitingen, die noodzakelijk zijn om zijn ik-krachten te versterken, aan een opgaan in een overkoepeling die de mensen samenbindt. Ziehier de vrije enkeling die zich verbonden weet met de overige mensheid.
En dan is het Pinksteren. Overal en altijd in de wereld.


Opmerking: dit (tamelijk op antroposofische leest geschoeide) artikel schreef ik in het voorjaar van 1990. Daarna verscheen het integraal in mijn boek 'Van herfst tot zomer' uit 2000, en nu (anno 2026 en enigzins bewerkt) dus hier. Voor mijn boek 'Jaarfeesten; achtergrond en betekenis in onze tijd' uit 2017 vond ik het minder geschikt (te antroposofisch, te weinig eigen).


* Met 'anti-sociaal' bedoel ik nadrukkelijk niet asociaal, egoïstisch of zelfzuchtig. Het is meer een intrinsieke (natuurlijke) eigenschap van ons mensen om eerder aan onszelf dan aan de ander of de gemeenschap te denken. We beleven eerst ons ik en daarna pas de ander of de omgeving.