De pen
rust tussen haar lippen
ze proeft een zin
schrijft op
wat anders zou ontsnappen
de wereld schroomt
geeft zich half prijs
een lach die losraakt
een voetstap die echoot
tussen twee klinkers
lucht die dreigt uiteen te spatten
woorden vallen naast elkaar
als lichamen
die elkaars handen tasten
de dichteres zweeft
tussen loos en al te fel
het papier knispert
van vraag
van opwinding
een blik, een zucht
de pen vergeet de hand
Adem
ik besta
nog voor iemand
mij denkt
of ziet
ik ben beweging
werveling
een klank die vorm zoekt
een kom
een kleine barst
een trillend spoor
nog niet benoemd
en zie
en hoor
de prille vlam vat vuur
ik glimlach
om mijn eigen inval
Wat wacht
laat vallen
wat in je handen ligt
kiezels, harde stenen
sta stil
adem uit
tot je gewicht
tegen de grond slaat
dat jij wordt opgetild
word een kamer
waar niemand woont
buig, breek
open
zonder sleutels
tussen je ribben
wat wacht
zal komen
als licht door een kier