Hoofdbanner

Hèt standaardwerk van de wetenschapsfilosofie is het boek De structuur van wetenschappelijke revoluties van Thomas Kuhn. Ik las het in 1979 toen ik voor de Boekmanstichting artikelen over wetenschapsfilosofie begon te schrijven. Helaas, de Nederlandse vertaling uit 1979 (3e druk) is erg rommelig, vol kromme zinnen en soms letterlijk verkeerd vertaalde woorden. Ik had dit boek achteraf beter in het Engels kunnen lezen.

Wat zo bijzonder aan dit boek is, zijn de heldere uitgangspunten. De wetenschap ontwikkelt zich helemaal niet geleidelijk en cumulatief, zoals Popper beweerde. Integendeel, het gaat met sprongen, door Kuhn wetenschappelijke revoluties genoemd. Hij gaat uit van een paradigma, een stelsel van afspraken en ongeschreven regels en wetten van waaruit wetenschap bedreven wordt. Werken vanuit een paradigma noemt hij normale wetenschap. Binnen dit paradigma wordt veel onderzoek gedaan om theorieën te verfijnen en uit te breiden. Dit is de normale gang van zaken. Echter, steeds zijn er verschijnselen die niet binnen het systeem (het paradigma) passen. Dat is een natuurlijk en zelfs noodzakelijk gegeven. Als dit er zo veel zijn dat er algehele onrust ontstaat, kun je spreken van een crisis. Tijdens zo'n crisis is er even wanorde oftewel een revolutie. Een nieuw paradigma stelt zich in als er nieuwe theorieën zijn ontwikkeld die de tot dan toe onbekende feiten afdoende kunnen verklaren. De rust is weergekeerd. Er is sprake van een paradigma-shift, een sprong omhoog naar een paradigma waarin iedereen zich weer thuis voelt.

Kuhn verduidelijkt zijn zienswijzen telkens met voorbeelden uit omwentelingsperioden uit de wetenschap. Zoals dat Copernicus als eerste beweerde dat de aarde om de zon draaide en niet andersom, en in het verlengde daarvan de proeven van Galileï met de valbeweging van verschillende massa's (die in tegenstelling tot wat Aristoteles dacht even hard naar beneden vallen!), alsmede zijn vergelijking van de valbeweging met een steen slingerend aan een touwtje. Of de ontdekking van zuurstof, eerst zonder dat hij het doorhad door Priestley, later verfijnd en verklaard door Lavoisier. Of de aanpassing van de zwaartekrachtswetten van Newton door Einstein, die het begrip gekromde ruimte invoerde. Alsook de wetten van Maxwell op het gebied van elektromagnetisme, die eerst nog weinig aanvaard werden, maar nu als de grondslagen van dit vakgebied worden beschouwd.

Af en toe stipt Kuhn ook andere wetenschappen aan, zoals de economie, psychologie en sociologie. Maar het is duidelijk dat deze zich aan andere richtlijnen houden dan de natuurwetenschap, die zo duidelijk heel concrete resultaten heeft opgeleverd. In de laatste hoofdstukken nuanceert Kuhn zijn bevindingen. Het is allemaal minder strak en uitgesproken dan wat hij daarvoor heeft beweerd. Eigenlijk is er zelfs nog veel onzekerheid. Het is en blijft een verhelderend boek, absoluut verplicht bij elke cursus wetenschapsfilosofie. Maar lees hem in het Engels, want dat bespaart je veel ergernis.