Hoofdbanner

Wie wel eens een boswandeling maakt, en heel stil de paden betreedt, zo stil dat je je alleen nog maar bewust bent van je eigen ademhaling, zal merken hoe de natuur zich overweldigend aan jou wil manifesteren. Alsof je de groeikrachten van al wat leeft tot in de botten van je lichaam gewaar wordt. In het bijzonder geldt zo’n beleving bij grote bomen als de beuk en de eik. Wat een kracht en energie zit er in die bomen. Raak een stam aan, strijk er met je hand over en je voelt die kracht en energie haast door jezelf stromen.
Bomen hebben een ziel en een bewustzijn, beweren sommige mensen. Het zou kunnen. Het is maar hoe je de begrippen ziel en bewustzijn definieert. Ze zouden met elkaar communiceren, zegt onder andere boomdeskundige Peter Wohlleben. Dit doen ze ondergronds via hun wortelstelsels, maar ook via de sporen van zwammen. Het is een heel netwerk daaronder. De bomen zorgen voor elkaar, geven voedingsstoffen en water door voor wie dat nodig heeft. De opslag in de bossen, via neervallende zaden voortgebracht, kun je beschouwen als de kinderen van de volwassen bomen. Ook voor hen wordt gezorgd, dat ze niet te veel licht krijgen, zodat ze langzaam kunnen groeien en daardoor op latere leeftijd steviger zullen zijn en beter bestand tegen stormen. Hele families groeien zo met elkaar op, tenminste wanneer er niet van buitenaf ingegrepen wordt. Zie hier de definitie van een gezond bos met tevreden, in zichzelf verzonken bomen. Ze kunnen groeien zoals in hun aard besloten ligt.

Heel anders is dat bij bossen die geplant worden voor de houtkap. Hier moeten de bomen zo snel mogelijk groeien voor de productie van hout. Ze worden om deze reden verder uit elkaar geplant, zodat ze meer licht krijgen. Ze ervaren minder familieverbanden, minder zorg voor elkaar ook. Het is een beetje ieder voor zich. Maar oké, verder worden ze relatief met rust gelaten.
Nog weer erger is het voor de straatbomen: de bomen die in steden langs de openbare weg worden geplant. Ten eerste worden ze nogal bruut gekweekt. Hun wortels worden gesnoeid en compact bij elkaar gehouden, zodat ze makkelijker te verplanten zijn. Hetzelfde gebeurt met hun kroon. Ze groeien niet op in familieverband, krijgen volop licht en water, worden niet ‘opgevoed’ door hun ouders en worden zo in hun beginjaren verwend tot inhalige pubers. Eenmaal langs de weg geplant is de schok groot. Ze komen in aangedrukte, verharde grond terecht, vol steen en leidingen. Hun wortels vinden slechts met moeite een weg, soms drukken ze het wegdek zelfs omhoog. Met als gevolg dat er vaak een worteldoek om de boom wordt gespannen. Hetgeen de boom nog meer beperkt in zijn groeimogelijkheden. Verder staat zo’n boom er te midden van uitlaatgassen, is er verkeerslawaai, nachtelijke straatverlichting en plassen honden regelmatig tegen zijn stam, wat de boom op de lange termijn aantast. Hij staat er gewoonweg verloren bij in een hem vijandelijk gezinde omgeving. Straatbomen zijn zwak, gauw ziek en vallen bij de eerste de beste storm om. Echt oud worden ze zelden.

Een straatboom heeft geen leuk leven. Sterker, als je deze boom vergelijkt met de op natuurlijke wijze ontstane boom in het bos, dan kun je gerust spreken van een grote eenzaamheid van de straatboom. Helemaal alleen, ver van zijn oorspronkelijke natuur verwijderd. Triest, maar waar. 
Wat we daar aan kunnen doen? Aandacht geven, stilstaan bij het lot van zo’n boom. Hem toespreken, ook al denken we dat hij ons niet hoort. Bewust worden van onszelf te midden van een ontregelde natuur. Mededogen opbrengen voor al wat leeft onder minder prettige omstandigheden. Ook van deze bomen houden.


Literatuur: Het verborgen leven van bomen; Wat ze voelen, hoe ze communiceren - ontdekkingen uit een onbekende wereld – Peter Wohlleben, Lev., 2016