we waren stil
keken niet op
alsof bewegen ons zou verraden
uit het donker
ruiters
koude ogen
ik zocht je hand
je kneep terug
onze schaduwen groeiden
jij verdween
*
de eerste zon ging onder
je was er nog
warm in mijn hand
een tweede zon
kwam
we wisten niet
wie sprak
welk woord van ons was
onze stemmen werden dun
*
bij de derde zon
hoorde ik je weer
ik wilde je schilderen
geelgroen
met een randje rood
jij liep verder
ons huis
met ramen op het zuiden
bleef stil
laat mij nog één keer
verdwijnen
niet in het donker
maar in het licht
van wat wij niet zeggen