Afdrukken

De Belgische schrijfster Jacqueline Harpman ((1929-2012) is bij ons in Nederland niet zo bekend. Ikzelf bijvoorbeeld had nog nooit van haar gehoord. Dat heeft er misschien mee te maken dat ze in het Frans schreef en haar boeken eerst vertaald moesten worden voor ze in onze taal te lezen waren. Wat niet direct gebeurde.
Zo werd bovenstaande roman in 1995 geschreven en pas drie jaar later vertaald. In 2024 werd het opnieuw uitgegeven, nu door uitgeverij Orlando. Sindsdien heeft het enige bekendheid geschreven. Maar veel te weinig, naar mijn mening.

Het is dystopisch verhaal over een meisje dat samen met 39 vrouwen in een kelder is opgesloten. Waarom, weet niemand. Ineens zijn ze uit het leven weggeplukt en worden ze met z’n allen gevangen gehouden. Er zijn mannelijke cipiers die er streng op toezien dat de vrouwen elkaar niet aanraken of ander ongewenst gedrag vertonen. Af en toe laten de cipiers hun zweep knallen als hen iets niet bevalt. Meer niet. Er is geen contact tussen hen en de vrouwen.
Het meisje, door iedereen de kleine genoemd, beschrijft haar leven in die kooi. De roman is haar levensverhaal. Ze heeft geen herinnering aan haar verleden, aan een vader en een moeder die ze ongetwijfeld moet hebben gehad. Op gezette zijden wordt er eten gebracht, het licht wordt gedimd, zodat de vrouwen kunnen gaan slapen. Veel meer gebeurt er niet. Het is een uitzichtloze situatie waarin ze zich bevinden. Geestdodend ook. Vooral omdat niemand weet waarom ze daar opgesloten zitten. En voor hoe lang.
Tot het moment dat er een sirene afgaat en de cipiers halsoverkop wegvluchten. Toevallig was dat net tijdens de uitwisseling van het eten. Het hek stond op dat moment voor heel even open. Het meisje en de 39 vrouwen rennen de kooi uit, gaan diverse trappen op en komen voor het eerst sinds jaren buiten. Ze lijken bevrijd, maar in die buitenwereld is alles anders dan ze gewend zijn. Geen huizen, geen wegen, alleen dorre vlakte. Niets wat op de aanwezigheid van andere mensen zou kunnen duiden. En van de cipiers geen spoor. De ene gevangenis lijkt ingeruild voor een andere. Alleen hebben ze nu veel meer ruimte.
Ze trekken erop uit, met het voedsel dat ze uit de kelder mee hebben genomen. Ze komen rivieren tegen, bomen om hutten van te maken, reizen weer verder, ontdekken nog vele andere kelders waar steeds 40 mensen, soms vrouwen, andere keren mannen, zitten opgesloten. Echter, zij hebben niet het geluk gehad dat hun hek open stond. Het zijn allemaal lijken.
De jaren verstrijken, de raadsels van waar ze zijn, of dit wel de aarde is waar ze zijn beland, en vele andere vragen, worden niet opgelost. Dat geeft spanning, je wilt verder lezen hoe het af zal lopen. Er dienen zich momenten van verandering aan, van onverwachte belevenissen, een begin van wat een oplossing zou kunnen zijn, maar het blijft een zoeken. Van zowel de hoofdpersoon, het meisje dat geleidelijk ouder wordt, als de lezer.

Het thema van de roman doet me aan twee films denken. Ten eerste aan de Batmanfilm The Dark Knight Rises uit 2012, waarin een groep mannen zit opgesloten in een diepe kuil waaruit ze niet kunnen ontsnappen. Uiteindelijk weet er eentje wel uit te komen, een kind dat zich later als tegenstrever van Batman zal ontwikkelen.
Ten tweede de film Picnic at Hanging Rock van Peter Weir uit 1975. Er zijn drie meisjes en hun lerares verdwenen tijdens een uitstapje in de bergen. Men gaat zoeken, doet verschillende ontdekkingen, zonder hen te vinden.
Beklemmende films, vooral die van Peter Weir, juist omdat het raadsel intact blijft. Het wordt niet opgelost, er wordt niets uitgelegd, je blijft alleen maar achter met een grote hoeveelheid vragen.
Dat geldt ook voor deze roman. Beklemmend vanaf het begin. Knap hoe de schrijfster de spanning vast weet te houden door het meisje op het juiste moment nieuwe ontdekkingen te laten doen. En wat een trieste wereld waarin alles plaatsvindt. Eerst die kooi waarin ze zich bevinden, geen daglicht, bewakers die niets zeggen, de zinloze dagen zonder uitzicht op een toekomst. Het afgesneden zijn van alles wat de vrouwen dierbaar was. Hun man, kinderen, familie, vrienden. En dat zonder dat ze weten of begrijpen waarom ze daar zijn opgesloten. En daarna, eenmaal buiten, het desolate landschap. Geen tekens van leven te bekennen. Geen dieren, bijna geen vogels, af en toe wat struikjes, een paar bomen en een rivier. En ook hier, de ongelooflijke uitzichtloosheid van hun leven. De grote eenzaamheid die een ieder heeft te torsen. En vooral, het waarom van dit alles.

Triest, ja. Maar wat een kracht zit er in dit boek. Zo helder beschreven, met soms lange, doorlopende zinnen die de gedachten van het meisje zo voelbaar weten te verwoorden. Je leeft helemaal met haar mee, hoe bizar vreemd de omstandigheden ook zijn. Nergens doet het bedacht of gekunsteld aan. Wat een leeservaring.
Dit boek verdient een veel grotere lezersschare dan het tot nu toe heeft gehad. Ja, kan ik wel zeggen, het is een grootse roman.


Ik die nooit een  man heb gekend – Jacqueline Harpman
Uitgeverij Orlando, 2024.