Afdrukken

De panter
In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van het dwalen langs de tralies
zo moe geworden, dat hij niets meer ziet.
Wel duizend tralies waarachter hij verdwaald is,
en meer dan duizend tralies is er niet.

De soepelheid en veerkracht van zijn schreden,
waarmee hij zich in kleinste kringen draait,
is als een dans waarin zijn kracht wil treden
rondom een midden waar zijn wil verwaait.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op–.  Een beeld weet te ontstaan,
’t gaat voort in stilten die van spierkracht trillen–
om in het hart verloren te gaan.


Rainer Maria Rilke (1875-1926)
Uit: Neue Gedichte, 1902
Vertaling: Fred Tak


Origineel:

Der Panther
Im Jardin des Plantes, Paris

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf — . Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille —
und hört im Herzen auf zu sein.



Rainer Maria Rilke geldt als een van de grootste dichters van de afgelopen eeuwen. In Nederland werd hij vooral bekend door de vele aandacht die Simon Vestdijk hem in de jaren dertig van de vorige eeuw schonk, later dook hij onder andere op in de dagboeken van Etty Hillesum. Bij beiden steeds in volle bewondering.
Bovenstaand gedicht ontstond toen Rilke in Parijs onder invloed van de beeldhouwer Rodin op een andere manier naar zijn onderwerpen leerde kijken. Meer met kunstenaarsogen, zeg maar. Rodin zou tegen hem gezegd hebben: ‘Ga naar de dierentuin en kijk net zo lang naar een dier tot je erover schrijven kan.’

Het is een eenvoudig gedicht, bestaande uit drie kwatrijnen. Het gaat over een panter, zoals de titel al aangeeft, opgesloten in een dierentuin.

Zijn blik is van het dwalen langs de tralies
zo moe geworden, dat hij niets meer ziet.
Wel duizend tralies waarachter hij verdwaald is,
en meer dan duizend tralies is er niet.


Wat zielig, denk je dan. Zo’n beest, dat eigenlijk in de wilde natuur thuishoort, waar hij naar hartenlust kan rennen en jagen, resteert hier in zijn kooi niets anders te doen dan heen en weer drentelen (dwalen, staat er, alsof hij verdwaald is) langs de tralies. Het zijn er misschien niet veel, maar bij elkaar opgeteld, tijdens steeds weer hetzelfde loopje, lijken het wel duizend tralies te zijn. Veel meer ziet hij niet. En is er ook niet.

De soepelheid en veerkracht van zijn schreden,
waarmee hij zich in kleinste kringen draait,
is als een dans waarin zijn kracht wil treden
rondom een midden waar zijn wil verwaait.


De panter, vermaard om zijn lenigheid, probeert het wel, opnieuw in zijn kracht te komen. Hij poogt zichzelf als in een dans terug te vinden. Echter, het zijn (te) kleine kringen waarin hij ronddraait. En zijn wil, de oerkracht in hem, die dooft uit, die verwaait.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op–.  Een beeld weet te ontstaan,
’t gaat voort in stilten die van spierkracht trillen–
om in het hart verloren te gaan.


De teloorgang van zijn oorspronkelijke natuur (zijn wildheid, zijn fysieke oerkracht) voltrekt zich verder: ‘het scherm voor zijn pupillen’ staat hier, trekt niet vaak meer op. En al eerder, in het eerste kwatrijn ‘zo moe geworden, dat hij niets meer ziet.’
Het natuurlijke leven is over en uit. Gevangen en achter tralies gezet door de mens, kun je zelf invullen. Maar toch, er is een beeld, het ontstaat in stilte, daar waar die oerkracht nog ergens aanwezig is: ‘in stilten die van spierkracht trillen.’
Maar ook dat gaat verloren, getuige de laatste regel. In het hart, in het gevoel dus. De kille werkelijkheid waarin de panter, door menselijk toedoen, voeg ik eraan toe, terecht is gekomen. Een fysieke oerkracht die getemd is, een natuurlijk ‘zijn’ dat geen recht van bestaan meer heeft.
Je kunt het lezen als een aanklacht tegen de mens. Maar ook als een gevaar (de panter als roofdier) dat is ingekapseld. En nog wel op andere manieren. Het is een rijk gedicht, zowel in beelden als in werkelijkheidsbeschouwing.

Dat is de kracht en de diepere reikwijdte van dit gedicht: je interpreteert het naar je eigen persoonlijkheid. Het is dan ook opvallend (en opmerkelijk) dat de leider van Forum voor Democratie in zijn befaamde toespraak van november 2020 in Tiel dit gedicht aanhaalde als voorbeeld van dat de Boreale mens bezig is te verkommeren achter de tralies van het linkse gedachtengoed.  
Ja, zo kun je het ook lezen. De manosphere van iemand als Andrew Tate, de mannelijke neiging tot sterk lichamelijk gedrag: laten we die vrij of beteugelen we die. Als het aan Forum ligt: laat maar vrij.