Verscholen
Is het jouw gezicht
dat deze tuin zo mooi maakt?
Is het jouw geur
die deze tuin doordringt?
Is het jouw geest
die deze beek verandert
in een rivier van wijn?
Honderden hebben je al gezocht
en zijn zoekend gestorven
in deze tuin
waarin je je verborgen houdt.
Alleen degenen die hier als geliefden komen,
blijven van deze smart gevrijwaard.
Voor hen ben je gemakkelijk te vinden.
Jij bent de wind
en in deze rivier van wijn.
Rumi (1207-1273)
uit: Liefdesgedichten
uitgeverij: Altamira, 2023
Rumi, die voluit Jalal ad-Rin Rumi heette, was een belangrijke Perzische filosoof, dichter en mysticus uit de islamitische cultuur. Hij geldt als een representant van het soefisme, een stroming binnen de Islam die zich sterk op het innerlijk richtte, en veel minder op uiterlijkheden als regels en geboden. Rumi geniet, zeker de laatste decennia, een grote populariteit over de hele wereld. Konya, een plaats in het huidige Turkije, waar hij zijn laatste levensjaren woonde, trekt om die reden jaarlijks miljoenen toeristen om het Mevlana Mausoleum te bezoeken. Mevlana was een andere naam die men hem gaf. Het betekent ‘onze meester’.
Bovenstaand gedicht komt uit het boekje ‘Liefdesgedichten’, geselecteerd door Deepak Chopra en opnieuw vertaald door Fereydoun Kia. Op de achterflap staat: ‘Deze gedichten vormen een lofzang op de liefde en brengen de diepste verlangens van het menselijke hart tot uitdrukking’. Hoewel bijna 800 jaar oud, doen de gedichten van Rumi nog altijd verrassend actueel en herkenbaar aan.
Het gedicht bestaat uit drie strofen. De eerste strofe behelst een vraag, de tweede een ‘niet’, de derde een ‘wel’, zou je kunnen vaststellen.
Zoals gezegd begint het gedicht al vragend.
Is het jouw gezicht
dat deze tuin zo mooi maakt?
Dit lijkt eenvoudige, nogal lieflijke taal tot een geliefde gericht. Echter, bij Rumi is de ‘je’ of de ‘geliefde’ meestal geen persoon van vlees en bloed, maar dient veelal abstracter gelezen te worden. Meer in de trant van: de verbinding met het goddelijke, met het diepere innerlijk in de mens, of gewoon van iemand die zich met de ‘liefde’ heeft vereenzelvigd. Het woord ‘jouw gezicht’ dient om die reden wat breder geïnterpreteerd te worden dan als op het eerste gezicht (sic) lijkt.
Hetzelfde geldt voor tuin. Dit is geen stukje grond dat bij een huis hoort, maar een plek waar iets kan groeien, iets natuurlijks, iets dat uiteindelijk kan bloeien. Waarmee deze twee beginregels het gewone dagelijkse al direct overstijgen. Een verwondering om wat gezien wordt. Met een vraagteken, ten teken dat het nauwelijks te geloven valt, zoveel schoonheid als zich hier aandient.
Is het jouw geur
die deze tuin doordringt?
Is het eerst het stralende, zichtbaar met de ogen, dat de waarnemer zo aanspreekt, nu is het geur die de tuin doordringt. Alsof de vervoering nu ook direct voelbaar is, tot in de neusgaten. Alsof de tuin, al ademend, ook helemaal vol van de ander (de geliefde) is.
Is het jouw geest
die deze beek verandert
in een rivier van wijn?
De opsomming gaat verder. Nu is het de geest van de ander die wordt waargenomen. Geest als instrument van het denken of als het innerlijke contact met het goddelijke. Er is sprake van stromend water, een beek. Maar dit is geen gewone beek. Het is een rivier van wijn geworden. Wijn hier in de betekenis van overvloed, van vervoering ook, en een opgaan in een roes.
Dan volgt de tweede strofe:
Honderden hebben je al gezocht
en zijn zoekend gestorven
in deze tuin
waarin je je verborgen houdt.
Er wordt even afstand genomen om te constateren hoe het anderen is vergaan die de ‘je’ gezocht hebben. Ze ‘zijn zoekend gestorven’, staat er: ‘in deze tuin waarin je je verborgen houdt’. Hoe zou dat kunnen?
Gezocht en niet gevonden, met de dood als gevolg. Het klinkt tamelijk dramatisch. Wat hebben ze verkeerd gedaan? Het antwoord volgt in de derde en laatste strofe.
Alleen degenen die hier als geliefden komen,
blijven van deze smart gevrijwaard.
Aha, dat is het dus. Die anderen (honderden zelfs) kwamen niet als geliefden. Niet als mensen die de verbinding zochten, met hun innerlijk, met het goddelijke, met het leven zelf. Wie dat overigens wel doen, ‘blijven van deze smart gevrijwaard’.
Voor hen ben je gemakkelijk te vinden.
Nog sterker, voor hen is het een even toegankelijke als makkelijke manier om tot de kern van de ander te komen. Een parel noemt Rumi deze kern zo in zijn andere gedichten. Waarbij de schelp van de oester voor de uiterlijke kenmerken van het leven staan, en de parel in de oester voor het diepste innerlijk, vervuld van louter licht, glanzend als de zon.
Die ander is hier de diepere ‘ik’ in de eigen persoon, dat gedeelte in de mens dat toegang zoekt tot het goddelijke in zichzelf. Ofwel het licht, of de hemelse liefde.
Het gedicht eindigt met wat die ander is in de wereld voor degene die verbinding zoekt en vindt.
Jij bent de wind
en in deze rivier van wijn.
‘Jij bent in de wind’, dus overal waar het kan waaien. Vluchtig, niet zichtbaar, maar des te meer voelbaar. In de stromen die langskomen, in de trillingen van de lucht.
‘en in de rivier van wijn’: ook hier, het stromende water dat zijn eigen weg zoekt, van de berg naar de ontvangende zee. Het is niet de rivier die stroomt, nee, het is de ‘je’ die in die stroom zelf zit, die stroom is. Van wijn, dat ook nog een keer. In volle overvloed.
‘Verscholen’, heet het gedicht. Je moet gericht zoeken om de ander (de liefde) te vinden. Met een open houding. Los van gedachten, oordelen en verwachtingen. Deze blokkeren immers elke poging tot verbinding. Pas dan kan het je toevallen: de schoonheid, de liefde, de verbinding met alles wat leeft.
Andere, aan te bevelen werken over Rumi:
Kader Abdolah - Wat je zoekt, zoekt jou; een mystieke reis door het leven de Perzische dichter, uitgeverij Prometheus, 2024
Rumi Gedichten - W. van der Zwan (redactie en vertaling), uitgeverij AnkhHermes, 2025 (17e druk)