alles wat naar beneden valt
is onderweg
een hand, een hart
mijn broekriem
overboord geslagen
na een te zware dag
de golven nemen mij op
als een moeder haar kind
op de bodem zie ik
oogleden trillen
wachtend, wachtend
ik ben losgemaakt
van een huis met deuren
waar ik vandaan kom
wat er onderweg verloren is gegaan
ik weet het niet
vroeger was ik iemand
die kon lopen
die zijn armen gebruikte
om lasten te dragen
nu is mijn huid
een dun gordijn door water omgeven
ik probeer te lachen
mijn mond vol kieuwen
plukjes zeewier tussen mijn tanden
ach, vissen kennen geen zolder
vol ongeopende dozen
geen kelder waar het water
tegen de muren klotst
geen slaapkamer
waarin lichamen als twee eilanden
naast elkaar liggen
voor hen is het licht
een schuin mes door de diepte
een herinnering aan een gezicht
achter de wolken
een geschiedenis van vinnen
links, rechts, omhoog en omlaag
en weer verdergaan
geen straat met huizen als getuigen
een koffer vol kleren
het onhandige gewicht van een besluit
geen geliefde
geen lijf dat zich 's nachts
opgerold verstopt
ik voel, ik tast
een eerste tree
al aanwezig voor mijn geboorte
vanuit het slib omhoog
als een huis in aanbouw
zonder steigers
schelpen, een kinderschoen
een voet die afscheid nam
voorzichtig, hoger
een restje ochtend voor de middag valt
het opgaan in een groen
dat langzaam bleker wordt
is dit al lucht
of water in een andere vorm?
boven mij klinkt een stem
die ik niet ken
waarvan de roep
als vogels in mijn borst bewegen
ik twijfel
elke stap vraagt
wat ik bereid ben achter te laten
de vingers van een kind
een schelp tegen zijn oor
hij hoort de zee
en denkt dat hij daar woont
een mond die zich opent
om iets groters binnen te laten
de trap als belofte
in losse stukken verdeeld
ik kan haar niet geloven
wat als zij er niet is
dat ik moet springen
zonder afzet, zonder
lenige benen onder mijn lijf?
het licht hier is diffuus
het schiet weg
op de rug van een zwaardvis
doden blijven niet lang onder water
ze komen bovendrijven
verspreiden zich
worden zand, een beetje zout
gaan wonen in de stilte
tussen twee golven
ik verblijf
in de longen van de levenden
dit is niet mijn lichaam
het is wat ik ben kwijtgeraakt
een kwal komt voorbij
een lampenkap die van huis is weggelopen
hij bevat geen hart
waar verdriet zich ophoopt
geen kast waar woorden
tegen elkaar aan schuren
geen lade met ongeschreven brieven
hij is bijna niets
en dat is zijn bestaan
hij verdwijnt
in het groen van de zee
en ik blijf achter
met vragen die zich als kleine kreeften
onder mijn ribben terugtrekken
o, lichaam, je bewaart
de handen die verkrampt vasthielden
de mond die liefdevol kuste
het gewicht van een woord
als een steen die nodig is
om de bodem te herhalen
wat als die bodem
een verhaal is dat we elkaar vertellen
om niet te hoeven weten
hoe ver we van onszelf verwijderd zijn?
ik kijk naar boven
zie een schittering
in stukjes breken op de deining
hoe kom ik te weten
of ik mezelf terugvindt?
één: het slib laat los
twee: mijn voet herinnert zich de aarde
drie: er is een sleutel van een deur
vier: ik hoor een stem
vijf: mijn armen worden zwaarder
zes: de vissen rondom mij wijken uiteen
zeven: ik herken een ritme, een getrommel achter een muur
acht: ik ben bang
dit is nieuw
of eigenlijk niet nieuw
angst staat op een tree met natte haren
en een gezicht dat ik niet zie
ze zegt: je kunt altijd nog weer terug
je zult het moeten dragen
je naam, je rug, je schouders
de dagen die als natte kleren
aan je lijf vastplakken
ik zeg: ik weet het
hogerop is geen einde
na acht komt een hek
een graf met mijn naam erop
een datum die zich voordoet
als de omtrek van mijn leven
de vraag is niet:
hoe kom ik hier vandaan?
eerder wat het betekent
ergens aan te komen
waar ik nooit ben weggegaan
het water wordt warmer
mijn vingers tintelen
als vijf kleine diertjes
die zich aan mij vastklampen
ik proef mijn mond
als ingang van lucht
van voorbije liefkozingen
de onuitgesproken wens
van wie ik had kunnen zijn
een belletje schiet omhoog
als een klein doorzichtig woord
zonder betekenis
ik kijk het na
er is geen deur
geen hemel
geen spiegel die mij
mijn gezicht terug zal geven
mijn vingers raken
de dunne huid tussen twee werelden
een rimpeling, een siddering
verspreidt zich tot aan oevers
tot aan de bomen die zichzelf
neerzien in het langzaam donker wordende meer
de lucht is ruw
ze heeft tanden
mijn eerste ademhaling doet pijn
de tweede ook
de derde is herinnering
ik lig op mijn rug
vul mijn longen zonder vragen te stellen
een wolk schuift voor de zon
in het water opent zich
een donkere vlek