daar
waar jij bent
waar ik mijn handen leg
iets dat op jou lijkt
niet jij
dat zou te eenvoudig zijn
een schouder die zich laat aanwijzen
een mondhoek
jouw lach
jij bent verder dan dat
wegen die niet genomen worden
een grens op de achterkant van een kaart
om het uur vertrekken vliegtuigen
om het uur komen ze aan
in de tussentijd
is er een vertraagd verlangen
ik probeer het uit te leggen aan de nacht
de nacht luistert niet
ze tikt voorbij
in kilometers
in tijdzones
soms denk ik:
spreek mijn naam uit
en ik zal gaan
ik zal komen
dan hoor ik je
's nachts door mijn huis schuifelen
een tik, een klop
achter de deur
tegen het glas
in de keuken waar niets gebeurt
behalve de koelkast
die aanslaat en weer zwijgt
om vier uur 's nachts
is de wereld het eerlijkst
geen plannen
geen morgen
geen fatsoenlijke redenen
ik draai naar links
naar rechts
maak van mijzelf een vraagteken
en wacht op antwoord
er komt geen antwoord
een vrachtwagen rijdt voorbij
een vogel vergist zich in het uur
ik heb geprobeerd de afstand te meten
in kilometers, in uren
in telefoongesprekken
in de tijd tussen twee berichten
jij bent daar
niet hier
daar
dat kleine woord met lange benen
misschien slaap je
of lig je wakker
je ogen gesloten
en denk je aan iets
wat mij niet aangaat
verlangen doet
alsof het kennis is
maar verlangen weet niets
verlangen is een dier
dat zijn eigen spoor verzint
ik voed het
ik geef het water
ik spreek ertegen
ik haat het
ik leg mijn hoofd
tegen zijn schouder
en huil
zachtjes
opdat niemand het hoort
mijn nieuwste oefening:
dat ik je wegdenk
ik begin bij je gezicht
bij jouw lach
het lukt niet
dan jouw handen
ook niet
jouw naam, onmogelijk
de dingen rondom jou
die ik me voorstel:
een straat, een raam, een stoel
de regen tegen het raam
een sleutel op een tafel
ik haal alles weg
en dan sta ik daar
de wereld smal gemaakt
wachten wordt tellen
tellen wordt bidden
bidden als een andere naam
voor smeken
de maan komt op
de maan verdwijnt
zonder een teken te geven
de kraan beneden drupt
het brood op het aanrecht wordt oud
er groeit een vlek op het plafond
de ochtend arriveert
zonder toestemming
ik moet opstaan
met een hart
dat nergens naartoe kan
ik zal je geen verre prinses noemen
een prinses woont in een toren
niemand komt haar halen
jij woont in een huis
dat ik vanuit de wolken zie
waarin iemand het licht aandoet
ik wil dat licht zijn
ik wil de kamer zijn
ik wil de hand zijn
die de schakelaar vindt
ik wil ophouden met willen
naar je toe
en ook niet van je weg
tussen die twee
een stoel neerzetten
gaan zitten, ademen
de dag binnenlaten
zeggen: ik ben hier
jij bent daar
en dat is alles
er is een uur
vlak voor de ochtend
waarin ik geloof
dat afstand iets zachts is
geen muur maar mist
een mist die ooit optrekt
dat de wereld
zonder dat wij het merken
een beetje in elkaar schuift
zonder afspraak
alleen twee deuren
die op hetzelfde moment opengaan
in verschillende plaatsen
in verschillende landen
dezelfde hemel
de tafel die we niet delen
de nacht die we niet naast elkaar doorbrengen
de mond die blijft wachten
de slaap die telkens terugdeinst
de hand zonder hand
waar gaat een aanraking heen
die nooit heeft plaatsgevonden?
is er plaats voor een lichaam
voor een gedachte
een liefde
wordt zij harder
of juist zachter?
dat het licht wordt
voelt als een belediging
de hele nacht
heb ik als een trouwe vriend
met de duisternis gesproken
het licht is naïef
denkt dat er niets aan de hand is
ik kijk naar buiten
de bomen weten
verschrikte vogels vliegen op
ik volg er een
tot hij verdwijnt
daar
dat ene woord weer
daar
waar liefde is:
een raam openlaten
een lamp laten branden
niet dat jij dan komt
maar omdat het donker
niet het laatste woord mag hebben
ik blijf
niet hoopvol
niet hopeloos
dat zijn te grote woorden voor dit uur
dat er een plek is
dat er een plek kan zijn
dat er een plek is geweest
waar ik jou had kunnen aanraken
buiten begint de dag
geen brug
geen boodschap
geen belofte
alleen licht
en de merkwaardige koppigheid
van een arm
op het lege laken
uitgestrekt