Afdrukken

de zon komt op
schemerig
alsof ze het niet vertrouwt

vooruit, roept iemand
zwaaiend vanachter een heuvel
we hebben haast

met hoge vetersnelheid
trekken we onze schoenen aan
knopen we de dag open
nemen de trap
alsof deze schuldig is
aan ons vergeten zijn

beneden staat de koffie
op ons te wachten
geen tijd nu
later

later heeft ramen
later heeft uitzicht
later is een verdieping hoger
dan waar we nu zijn

we nemen de lift
drukken op een knop
zes, zeven, acht
cijfers zijn niet bang
wij wel
wij hebben haast

we feliciteren onszelf met het feit
dat we nog niet zijn omgevallen

op kantoor hangt een plaat
van een berg
niemand heeft de berg ooit gezien
dat maakt hem geschikt
een vlag erop
met witzwarte strepen
wij begrijpen de boodschap

en harder gaan we
vooruit weer 
wat we inhalen
noemen we verleden

achter ons loopt een kind
dat op ons lijkt
maar dan langzamer
en daarom verdacht
het draagt een jas
als herinnering
misschien is het onze jas
of een gestalte
die nog niet weet
wat het later wil worden

het kind zwaait
wij zwaaien niet terug
er is een vliegtuig te halen
er zijn altijd vliegtuigen te halen

roltrappen, poortjes
de paniek van schoenen uit
een riem in een bakje
een laptop uit de tas
oh informatie
al onze informatie
op de lopende band

wij die moeten bewijzen
niets bij ons te hebben
behalve onszelf

en zelfs dat
is soms te veel

vooruit
naar de zon
een verre kust
waar de zee weet
hoe het is om hemelblauw te zijn

we vliegen weg
om ergens aan te komen
inclusief ontbijt
inclusief uitzicht
inclusief een foto
die dat moet bevestigen

kijk, zeggen we later
weer thuisgekomen
hoe gelukkig we waren

de foto beweegt niet
de zee wel
de zee heeft nooit haast gehad
toch is zij overal aangekomen

dit laatste vinden wij onverdraaglijk
de zee wel en wij niet
dus vliegen we terug
om opnieuw te arriveren

de achterblijvers mee
in onze koffers
tussen schoenen en opladers
een handschrift
een sleutel
een oude trui

thuis is het donker
thuis is het leeg
de koelkast zoemt
op tafel ligt post
een envelop
met onze naam erop
we openen hem niet

morgen
er is altijd een morgen
morgen is onze grootste uitvinding
morgen kan alles
morgen zullen we bellen
morgen kunnen we langsgaan
minder werken
eindelijk dat ene boek lezen

morgen kopen we
wat we niet nodig hebben
de aanbieding geldt tot middernacht

om tijd te besparen
verkwisten we stoelen, schermen
vergaderingen, tot
ons mobiel oplicht

een onbekend nummer
toch kijken we
misschien belt de toekomst
dat deze eindelijk ons nummer heeft gevonden

we moeten worden
wie wij volgens schema dienen te zijn

wie zijn wij?
wat willen wij zeggen?
wie is die ander?
we lachen erom
ach, te druk
te moe
te weinig slaap

op een dag komt de dokter
met de uitslag dat wij achterlopen
dat onze betere versie
ver voor ons uit leeft

een versie zonder vermoeidheid
zonder verkeerde afslag
zonder een zieke moeder
zonder een overleden vader
zonder dat ene gezicht
dat we te lang hebben aangekeken

vooruit
en haast je
wie stilstaat wordt ingehaald
door iemand met een betere pitch
wie rust
laat de nieuwste marktaandelen liggen
wie treurt
treurt op eigen kosten
wij zijn de ondernemers van onszelf

wij bezitten de dagen
in stukjes van tien minuten
in een agenda
met nog weinig witruimte

onze hartslag
is die van productiviteit
we springen
tussen twee slagen in
over onze eigen schaduw heen

maar schaduw is geduldig
ze kent geen targets
zij wringt zich in bochten
zij kruipt weg in donkere spleten

je koffer ingecheckt
maar je verleden niet
dat je door de douane komt
je paspoort vol stempels
en dat je toch steeds weer
diezelfde grens overschrijdt

voorbij de school
voorbij de twintig
voorbij de liefde
die het niet redde
voorbij de spiegel
waarin je gisteren iemand anders zag

iemand die zegt:
u bent precies op tijd

op tijd voor wat?
voor de dood misschien
die heeft geen haast
die staat niet te rennen
bij een gate op het vliegveld

hij zit ergens rustig
een appeltje te schillen

hij weet dat wij komen
wij komen altijd
daarom versnellen wij

nog één berg
nog één kwartaal
nog één vlucht
nog één liefde
nog één keer
dat je tegen jezelf zegt
dat het kan

je lichaam kent geen andere taal
dan ja knikken
totdat het languit
zwaar en uitgeput
in dierlijke stilte ligt

je schoenen ernaast
je mobiel met 3% batterij
een notificatie:
u hebt uw eindpunt bijna bereikt

bijna
een klein woord
waar hele levens in wonen

bijna gelukkig
bijna op tijd
bijna thuis
bijna degene geworden
die je dacht te moeten zijn

bijna dood

en dan ineens:
de tuin, een merel
zingend op de rand van het dak

een glas water
een hand die jou vasthoudt

geen plan
geen prestatie
geen vooruitzicht
alleen die hand

voor je
een lange gang
met achter iedere deur een leven
dat je had kunnen kiezen

je loopt erdoorheen
natuurlijk loop je
je bent het gewend
halverwege
valt een muntstuk uit je zak
je hoort het tikken op de vloer
je stopt

niemand zegt dat je moet doorlopen
niemand zegt dat je moet teruggaan

daar ligt het muntstuk
klein, stil, rond

je ziet
dat een schaduw zich bukt
jouw schaduw

ze raapt het muntstuk op
en houdt het vast