Afdrukken

Frequenties

ik sla een toon aan
hij blijft hangen tussen mijn vingers

dan een volgende
in hoger register
met de behoedzaamheid van iemand
die weet: stijgen is
omhoogvallen in het klein

daarna twee lager
alsof ik terug moet naar de plek
waar grond was
voor ik begon

er zindert
een denken zonder hoofd
een tast naar zin

ik speel verder
aarzelend
bang het einde te bereiken

er ontstaat een lied
niet om te onthouden
maar om te verliezen

 

Genoeg

de wereld vouwen
tot hij in een hand past
een gebaar dat zegt: genoeg

een druppel valt
de huid herkent zichzelf
in de aanraking van de ander

we tellen onze vingers
de getallen verdwijnen
onze keel trilt
nog voor een naam wordt uitgesproken

het gewicht van wachten
op de tong

iets van vroeger
weigert te gehoorzamen
geen winst, geen les

niet in buigen
maar in ontvangen
 

 

Op een dag zal ik vleugels krijgen

tussen vertrek en terugkeer
schiet het uit mijn schouders:
beweging

de stad trilt 
auto’s ademen uit
mensen grijpen
de tijd bij de pols

ik ken mijn lichaam
stijgen is geen verdwijnen
lucht is zonder schaamte

de dokter zegt:
het is een kwestie van groei
maar ik voel mij
van binnenuit verlegd

er zijn dagen dat ik de grond
niet langer vertrouw
mij voorstel
boven mijzelf te hangen

als een andere richting
van zwaarte

niemand zal het zien

 

Nieuwe versie

er is een punt waarop het lichaam
zich niet langer verzet
tegen zwaarte

het zout van oude woorden
ligt nog op je lippen
je weet: dit is geen einde

je buigt niet, je valt niet
je herschikt, traag
als zand in een hand

een andere toon
een andere naam 
voor jezelf 

je geeft je over 
onvoltooid



Je valt in het vuur

je dacht dat je tong
hitte kon verdragen

het is de huid die weet
wat vergaan betekent

je bijt in rood
je groeit van wat je verteert

je mond rookt nog na
van het geloven

de tijd draait zich om
als een dier dat zich losrukt
uit je hand

de vlammen zwijgen
je tong, verkoold
leert stil te zijn

het brandt vanbinnen
zonder te doven

 



November (terugkerend)

als een braambosvuur
dat zijn eigen as herinnert
legt zich een sluier
over de ontwakende dag

het zwart van roet blijft hangen
in de huid van het vroege uur

je gaat voort
tussen stammen als kolommen
van een lang vergeten tempel 

er verschuift iets
een trage draaiing onder het borstbeen
iets dat aarzelend losschiet

de grond veert terug
alsof het pad met je meeloopt
en zijn last aan je overdraagt

je armen ontvouwen zich
zoekend naar restwarmte
in de nevel

onder je draaien twee wielen
in hun vertrouwde ritme

dan, halverwege een gedachte
voel je het grauw wegzakken
als stof in donkere aarde

binnenin opent zich
een onverwachte helderheid

je herkent haar
 

 

Opvang

als ik terugkeer op aarde
dan niet achteloos
maar met een parachute
die ritselt
van schuld en zachtheid

ik mag neervallen op steen
waar elke scherpe rand
mij toebijt
wat ik vergat te dragen

ik zak weg in een moeras
dat verzwijgt
wat ik was
niet mee kon nemen

zwaarder word ik
tussen stemmen
die mij klem willen zingen

niets begint opnieuw
alles keert om
schuurt, verschuift

niet de hoogte
is mijn val
 

 

Gewicht

je leven lang
daal je af
nooit naar een bodem

de wereld draagt je 
aan dunne draden

waar je stilstaat
verdwijnt de rek
alsof er wordt gemeten
hoe ver je kunt gaan

in de val van je gedachten
smelt de ochtendmist

een herinnering die oplost
nog voor ze je raakt

jouw hoogte
is een tussenpunt
waar je hangt

diepte is geen plek
diepte beweegt