Afdrukken

Een stem

ik heb mezelf afgelegd

toch beweeg ik
stof in licht
door de kamer dwarrelend

kijk
niet weg

ik ben de aarde
onder jouw nagels
het water
waarmee jij je wast

ik sta op
in de bries
die het gordijn opzij schuift

in het wachten
ben jij hier


Ogen

vandaag zoek ik
de gratie van een gezicht

mensen kijken weg

ik brand
naar licht
dat zich ontvouwt

ik doe een stap
geen deur
geen raam

ik sluit mijn ogen

het huis van genade
gaat open

 


Wat wordt

ik ben
wat moet worden

achter de duinen
het rennende licht

gevangen
in de spiegels van de nacht

duw ik 
de dag vooruit

en glij voorzichtig
de zee in

 


Parels

er is een zee
aan dingen die we niet weten

onder het oppervlak
glanzen de parels

een oester omarmt
haar eigen wond

we houden onze adem in

boven ons
de golfslag

maar niemand
wil terug

 


Nochtans


zit ik opgesloten
tussen de muren
van een uren wegtikkende klok

met tralies die slechts af en toe
een spatje licht doorlaten

een buigend licht

ik kauw op droog brood
drink rivieren van water
tot ik uitstroom
in de vergetelheid van de ander

die ik liefheb
of lief zou moeten hebben

 

 

Wat bestaat

luister
de grot als gevangenis
die wij hebben gebouwd

wat bestaat
onttrekt zich aan ons oog

wij zijn kinderen
van het ondergrondse

naakt in het donker
trekken we een jas
van schaamte aan

alleen aan onze stem
herkennen we elkaar

 

 

Stilval

begraaf me maar
ik ben toch al dood

eerst was ik een herder
later een koning

zonder land, zonder
vrouw en kinderen

de staart van een haas
is een slechte gids

altijd op de vlucht
voor jagers

gedachten zoemen
als vliegen om mijn oren

nauwelijks weet ik ze
van me af te slaan

tot ik stilval
en niets meer hoor