waakzaam
tussen kool en wintergrond
geen sprong, geen vlucht
alleen de kou die kraakt
rond zijn snorrenwit
zijn ogen, twee vriesdruppels
kijken wijds
naar de uitgebolde verte
hij rilt zijn lijf
in droomfladders
vederwensen
zijn poten strak in sneeuw
wacht hij, hartkloppend
in dit land van ademstilte
op trage voetstappen
van woeste drijvers