Toen ik nog thuis woonde, werd ik lid van de plaatselijke schaakclub DDM. Een kleine, bescheiden club uit het dorp ’t Veld, waar ik op school zat en naar de (katholieke) kerk ging. Ik kwam er pas later achter waar DDM de afkorting van was: De Denkende Mens. Wat een mooie, fijn allitererende naam voor een schaakclub, denk ik nog steeds. De schaakclub heeft maar kort bestaan. Enkele jaren nadat ik was verhuisd naar Amsterdam kwam ze ter ziele.
Ik zat dan wel op schaken, deed mee aan toernooien en had op de middelbare school voor een bèta profiel gekozen, maar het puur rationele denken ervoer ik als een te beperkte manier om de wereld te kunnen begrijpen. Alsof ik me daarmee opsloot in een stukje gepantserde werkelijkheid, de deuren gesloten en de ramen geblindeerd, met geen of weinig zicht op wat zich daarbuiten afspeelde. Zo voelde het voor mij.
Toen ik in 6 vwo de onbepaaldheidsrelatie van Heisenberg voorgeschoteld kreeg, uitgelegd door een voortreffelijke docent natuurkunde, was ik blij en opgelucht. Mijn voorgevoelens werden bewaarheid. Wist je van de ene grootheid heel nauwkeurig zijn waarde, dan werd een andere grootheid heel onnauwkeurig. En andersom. Met andere woorden, de gemeten natuur is alleen in waarschijnlijkheden uit te drukken. Niets is zeker. Waarmee de grenzen, en daarmee haar beperkingen, van het denken natuurkundig zijn aangetoond. Prachtig. Ik wist nu: ik ga natuurkunde studeren.
Aansluitend daarmee: een foton gedraagt zich, blijkt uit experimenten, als een deeltje òf als een golf. Het is het een of het ander. Ons denksysteem zit kennelijk zo in elkaar dat we deze beide eigenschappen van het licht niet tot een eenheid kunnen samenbrengen. Alsof we alleen in gespletenheid kunnen denken. Hoe kenmerkend.
Ons denken is gekoppeld aan de taal èn aan de beelden die we bewust of onbewust van de wereld maken. De taal is, in mijn beleving, een heel beperkt middel om te proberen de werkelijkheid te vatten. Het is een soort omkleding van wat er is. Een jas die we de werkelijkheid aan doen om voor onze ogen zichtbaar te kunnen worden. We missen het vermogen om de wereld zonder die jas, zonder de taal, te zien. We projecteren ons denken op die jas, op die buitenkant.
Onder die jas zit een werkelijkheid die wij niet kunnen vatten. Ze is te groot voor ons. Te onverklaarbaar voor ons denken. In onze pogingen om tot die niet te bereiken werkelijkheid door te dringen, want we voelen vaak intuïtief aan dat die wel degelijk bestaat, gebruiken we wellicht beelden. Beelden die onze dagelijkse manier van waarnemen overstijgen. Beelden die soms ook een glimp van de niet manifeste wereld aan ons laten zien. Met de niet manifeste wereld bedoel ik die van de geest, van de ziel, het geweten, normen en waarden etc.
Maar pas op, vaak zijn die beelden een projectie van ons ego op de wereld om ons heen. Zie de vele religies die van straf en zonde spreken voor de mensen die zich niet aan de (door hen bepaalde) regels en voorschriften houden. En daarmee een onderdrukkend systeem in stand houden. Ook de visioenen die mensen kunnen overvallen, tot zelfs verschijningen aan toe, zijn vaak te herleiden tot zo’n projectie van het eigen gevoelsleven op wat men denkt waar te nemen. Zo ken ik iemand die midden in de nacht af en toe bevolkt wordt door inbrekers in haar huis. Ze hoort ze lawaai maken, met elkaar praten en ziet een grote gestalte in de deuropening. Ze denkt dat dit echt is. Terwijl het haar angst is die dit oproept.
Zo is het volgens mij ook bij verschijningen, zoals bijvoorbeeld bij die aan de kinderen van Fatima. Wat ze zagen was waarschijnlijk een lichtvorm, door hen begrepen en verstaan als de figuur van Maria, omdat dat een beeld was waarmee ze vertrouwd waren. Met een boodschap die paste in hun manier van denken over de wereld.
Zelf ben ik om die reden uitermate kritisch over mediums, helderzienden en anderen die menen vanuit een zogenaamd hogere positie wijsheden aan de mensen te kunnen verkondigen. Zo heb ik me altijd verbaasd over de geschriften van Jozef Rulof. Enerzijds fantastisch, intrigerend ook, anderzijds zo bizar en vreemd dat ik er absoluut niet in mee kon gaan. Ik weet het, hele volksstammen zijn lyrisch over hem. Ik dus niet.
Zo vergaat het mij ook met de boeken van iemand als Alice Bailey: erg ver van mijn bed. Hetzelfde bij zovele anderen in de theosofie, en af en toe ook in de antroposofie: ik ervaar ze als (te veel) opgesloten in hun denken en beeldvorming van de wereld, te veel gekoppeld aan hun eigen persoonlijkheid.
Over de antroposofie, de beweging die mij zoveel vruchtbare inzichten heeft gegeven: het eerste boek van de grondlegger van de antroposofie, Rudolf Steiner, heet De filosofie van de vrijheid. In dit boek beschrijft Steiner hoe de mens min of meer middels het denken tot de geest kan komen. Hoezeer ik zijn andere geschriften en toespraken ook waardeer, hier haakte ik af. Ik voelde er niks bij, ik kon er niks mee. Zoals ik al eerder opmerkte, het denken op zich is voor mij te beperkt en te eenzijdig om die geest te kunnen vatten.
In het kielzog hiervan voel ik me eerder verwant met iemand als Blaise Pascal. Deze geniale wiskundige en natuurkundige (de eenheid van luchtdruk – hPa - is naar hem vernoemd) was tevens een religieus denker. Hij verwerpt een God van de filosofen, waarmee hij bedoelt: een God die vanuit het denken bereikt en begrepen kan worden. Hij pleit voor een God vanuit de beleving, vanuit de openbaring. Zoals die hemzelf, blijkens een brief die na zijn dood in de voering van zijn jas (hoe symbolisch, zie mijn eerdere opmerking over waar een jas voor kan staan) is aangetroffen. Met de datum erbij, 23 november 1654, ‘van ongeveer half elf ’s avonds tot ongeveer een half uur na middernacht’.
Hoewel ook zo’n openbaring, volgens mij, voorzichtig moet worden geïnterpreteerd. Want wellicht ook hier gekoppeld aan de beschikbare taal en beelden van Pascal in zijn tijd.
Tot slot, er is een beroemde dichtregel van Leonard Cohen: ‘In alles zit wel een barst, zo komt het licht binnen’. Dit kun je interpreteren als een barst in je persoonlijkheid, in je ego, in de manier waarop je de wereld denkt waar te nemen: ja, dat kan tot nieuwe inzichten leiden. Inzichten die leiden tot de geest, de wereld van licht en liefde. Tot een begrip ook voor alles wat er in is, inclusief alle ellende om ons heen.
Waar het denken breekt, concludeer ik verder, waar onze gedachten, onze oordelen en vooroordelen voor even afwezig zijn, kan het licht binnenstromen*. Wat we daarmee doen, is aan ons. We zijn daar vrij in. Niemand dwingt ons. Wij zijn altijd en overal verantwoordelijk voor onszelf. En voor anderen, de natuur, de aarde, sociale wezens als wij zijn.
Wijzelf bepalen ons diepste, innerlijk leven. Onze kern, onze eigenheid. De rest is maar buitenkant. Ook ons denken.
* Zie de traktaten en geschriften van Meister Eckhart, die hier middels zijn begrip 'Gelassenheit' meerdere keren op wijst.
Literatuur:
Pascal als religieus denker – Met bijdragen van Bert Blans, Willen Jan Otten, Ad Peperzak, Arjan Plaisier en Rudi te Velde, uitgeverij Klement, Zoetermeer, 2011
Meister Eckhart; over God wil ik zwijgen, Preken en Traktaten – C.O. Jellema, Historische uitgeverij Groningen, 2010