Afdrukken

Over Friedrich Nietzsche (1844-1900) is al veel verteld en geschreven. Hij was een getormenteerde en tragische zoeker naar waarheid die als een van de eersten de psychologie in de filosofie binnenbracht.
Op zijn 24e was hij professor in de filologie (= taalkunde) geworden. Door ziekte moest hij dit al na een jaar opgeven. Hij legde zich daarna toe op de filosofie, met als eerste poging: De geboorte van de tragedie, uitgebracht in 1872, Nietzsche was toen 27 jaar oud. Dit boek werd echter door zijn collega-filosofen met de grond gelijk gemaakt. Volgens hen was het een rommelig geschrift en filosofisch van inferieure kwaliteit. Nietzsche beleefde dit als een keiharde afwijzing.
Echter, zo lees ik zijn eersteling ook. Het vliegt alle kanten op, er zit geen lopende lijn in, het is geen bouwwerk waarop je een filosofisch systeem kunt bouwen. Ondanks dat zitten er originele ideeën in, over de tegenstelling dionysisch-apollinisch bijvoorbeeld. Nietzsche zal dit thema in zijn latere werken uitdiepen.

In deze eerste periode is Nietzsche volledig in de ban van de filosoof Schopenhauer en de componist Richard Wagner (1813-1883). Hij ontmoet Wagner voor het eerst als hij nog student is. In hetzelfde jaar 1868, hij is inmiddels hoogleraar, komt hij voor een tweede keer bij hem thuis in Tribschen, het idyllische woonoord van Wagner aan het Vierwoudstrekenmeer in Zwitserland. Hij treft daar diens vriendin Cosima Lizst, dochter van de componist Franz Liszt. Ze is zeven jaar ouder dan Nietzsche, hoogzwanger van haar eerste kind met Wagner, echter officieel nog getrouwd met Hans von Bülow, met wie zij drie kinderen heeft. Vanaf zijn eerste ontmoeting met Cosima Wagner, zoals ze later zal heten, is hij diep onder de indruk van haar. Regelmatig zal hij de Wagners bezoeken, daar weekenden doorbrengen, oud en nieuw vieren, diepgaande gesprekken voeren met zowel Wagner als Cosima. De vriendschap is wederzijds. Tijdens wandelingen loopt Cosima Wagner regelmatig gearmd met Nietzsche voorop.
Nietzsche zelf, uiterst verlegen, vooral wat vrouwen betreft, voelde zich gekend en herkend door de Wagners. Hij adoreerde Richard Wagner en diens muziek, met diens hang naar oude Griekse idealen. Nietzsche heeft nooit een relatie met een vrouw gehad, ondanks dat hij een keer in een opwelling een huwelijksaanzoek aan Lou Salomé heeft gedaan. Dat ze simpelweg afsloeg.
In zijn brieven rept hij regelmatig in zeer positieve zin van Cosima Wagner.

Echter, in 1878 vindt er een omslag plaats. Zowel in de geschriften van Nietzsche als in de omgang met de Wagners. In zijn boek ‘Menselijk, al te menselijk’, rekent hij af met zowel de filosofie van Schopenhauer als met de idealen van Wagner, die volgens Nietzsche te veel richting het christendom opschuift. Het zorgt voor een verwijdering tussen Nietzsche en Richard Wagner, die later een min of meer haatdragende vorm krijgt in zijn boeken ‘Het geval Wagner’ uit 1888 en ‘Nietzsche contra Wagner’, gepubliceerd in 1889.
Wat is er in die tussentijd (tussen 1868 en 1878) met Nietzsche gebeurd, denk je dan. Dat hij van een adoratie van Wagner is omgeslagen naar een vorm van rancune die zijn weerga niet kent. Wat heeft Wagner hem misdaan? Is het diens muziek of spelen andere factoren een rol?

De boeken van Nietzsche nemen vanaf die tijd een andere vorm aan. Hij probeert niet langer ‘logisch’ te schrijven, maar excelleert dan in kortstondige ingevingen, aforismen genoemd. Er zit geen systematiek in, het lijken allemaal losse, op zichzelf staande notities, maar ze getuigen van een diep psychologisch en filosofisch inzicht. Tenminste. zo heb ik ze gelezen: sprankelend, als een fontein van lichtgevende inzichten en onthullingen. Wat een kracht, wat een rijkdom. De filosoof met de hamer, zoals hij zichzelf noemde. Met als ondertoon: het ja zeggen tegen het (dionysische) leven. Het leven in het nu, dichtbij, voelbaar, vatbaar. En niet het leven ver weg, zoals het christendom dat propageert met een hemel en een leven na de dood, of de wetenschap die zichzelf veel te ernstig neemt en ver voorbij de grenzen van de menselijke (aardse) beleving gaat.
Echter, te midden van deze sprankelende gedachtestromen, sluipt er ook iets van boosheid door in zijn geschriften. Nietzsche wordt strijdbaarder, venijniger. Wat meetelt: zijn boeken worden nauwelijks gelezen. En maar mondjesmaat verkocht. Het aantal vrienden dat hem bewondert is op één hand te tellen. Nietzsche voelt zich niet erkend. Later, in zijn boek 'Ecce homo', zal hij zijn frustratie hierover uitvoerig beschrijven.
Nietzsche vecht steeds zichtbaarder een strijd uit met zijn omgeving. Richting het christendom, met zijn provocerende boek ‘De antichrist’. Richting Richard Wagner, met de zoals gememoreerd vijandige geschriften aan hem gericht. In zijn zoektocht naar dionysische motieven richt hij zijn blik naar beneden, richting aardse omstandigheden. Het hemelse, het geestelijke, wijst hij af als een dwaling van de zwakke mens, de mens die niet in staat is macht en kracht te verzamelen. Hij kijkt, op zoek naar diepere motieven, de duisternis in. En de duisternis, die kijkt terug!
Nietzsche raakte verstrikt in het doolhof van het onderaardse, zou je kunnen zeggen. Steeds dieper daalde hij af in zijn eigen kluwen van denken. Hijzelf voelde dat ook aan. Meermaals waarschuwt hij zijn lezers hem niet te volgen. Hij loopt over zulke hoge bergpassen, met beneden hem zulke diepe ravijnen, dat zijn volgers het gevaar lopen in zulke ravijnen neer te storten. Zoals hij dat ook voor zichzelf ziet gebeuren. Hij noemt zichzelf een amor fati, een noodlot. Maar hij kan niet anders dan deze weg gaan, omdat hij de waarheid liefheeft. En niets anders dan de waarheid.

In zijn geschriften komt nu af en toe de naam Ariadne voor. Zij is een prinses uit de Griekse mythologie. Zij hielp de held Theseus met een klossen draad om te ontsnappen uit het labyrint nadat hij de Minotaurus had verslagen. Nietzsche voelt aan dat ook hij een Ariadne nodig heeft om uit het doolhof van zijn denken bevrijd te worden. Hij redt het niet alleen. In zijn laatste jaar van helderheid schrijft hij zijn felle aanklacht tegen het christendom: De antichrist. Provocerend, uit op verzet en verontwaardiging. In de laatste maanden voor zijn geestelijke ineenstorting, begin januari 1889, is hij vooral bezig met de drukproeven van zijn pamfletten tegen Wagner. Zijn laatste boek, Ecce homo, is nauwelijks met droge ogen te lezen. Wat een wanhoop, onbegrip en eenzaamheid. Hoe kan je over jezelf spreken als over een genie dat door niemand begrepen wordt, misschien pas voor het eerst over 100 jaar. Met hoofdstukken als: Waarom ik zo wijs ben, Waarom ik zo knap ben, Waarom ik zulke goede boeken schrijf, en Waarom ik een noodlot ben. Ondertekend met Dionysos tegen de Gekruisigde.
Tragisch, ontroerend. Wat een verdriet, wat een frustratie.  

Even teruggaand naar het jaar 1870. Nietzsche schreef toen een drama getiteld Empedocles. Veel van zijn latere thema’s komen hier als eerste kiem tevoorschijn. Zo ook de persoon Korinna. Empedocles is een duidelijke vermomming van Nietzsche zelf, terwijl achter Korinna, later Ariadne geheten, zo goed las zeker Cosima Wagner schuilgaat (zeggen bronnen als die van Curt Paul Janz). Het is een eerste aanwijzing hoe Nietzsche tegenover de vrouw van Richard Wagner staat.
Later komt deze Ariadne vaker in zijn geschriften voor. Hij adoreert haar, voert gesprekken met haar, en het belangrijkste is, zij luistert. Zij begrijpt hem, tenminste, in zijn gedachten. Hij schrijft dat zij (Ariadne dus) tijdens hun onderliggende (fictieve) gesprekken ‘met de beroemde draad speelde, die ooit haar Theseus door het doolhof leidde’.
Dat hij met Ariadne niemand minder dan Cosima Wagner bedoelt, wordt uit andere geschriften steeds duidelijker. Zoals in de ‘Vijf voorreden’ die hij destijds aan Cosima opdroeg, alsook in het geschrift Über Wahrheit und Lüge in aussermoralischen Sinne.
Nietzsche zelf noemde ook de dagen dat hij op Tribschen bij de Wagners doorbracht de gelukkigste tijd van zijn leven, de tijd van een verloren geluk.
In zijn boek ‘Voorbij goed en kwaad’, dat ik persoonlijk als zijn hoogtepunt beschouw, laat hij in aforisme 295 de God Dionysos spreken (= Nietzsche zelf). Er staat: ‘Als het zo uitkomt houd ik van de mens’ – en daarbij zinspeelde hij op Ariadne, die aanwezig was –'.

Uit 1887 stamt een duistere schets van Nietzsche: Saterspel tot slot. Het handelt over Theseus en Ariadne. Volgens veel kenners staat Theseus hier voor Richard Wagner en Ariadne voor Cosima. In dit geschrift rekent Ariadne (via Dionysos) hardhandig af met Theseus. Letterlijk staat er: ‘Dit is mijn laatste liefde voor Theseus, ik richt hem te gronde.’
In zijn ‘Zarathustra’ uit 1885 sabelt deze het lied van de oude tovenaar (= Wagner), dat de ‘Klage der Ariadne’ wordt, neer met de woorden: ‘Houdt op, jij komediant! Jij valsemunter! Jij aartsleugenaar! Ik herken je wel!’.
In zijn laatste boek Ecce homo schrijft hij ‘door zijn zonnenatuur veroordeeld te zijn en niet lief te hebben’. En daarop volgend: ‘Wie behalve ik weet, wat Ariadne is.’
Niet wie Ariadne is, maar wat. Alsof zij meer is dan alleen een fysieke vrouw. Een beeld, het leven zelf, wie zal het zeggen.
Als hij begin januari 1889 geestelijk is ingestort, stuurt hij Cosima drie manifesten. In één daarvan staat: ‘Ariadne, ik houd van je.’ Ook bekent hij in twee brieven aan zijn vriend Jacob Burckhardt zijn liefde voor mevrouw Cosima – Ariadne.
Een paar maanden later, op 7 maart 1889, nu opgenomen in een inrichting, weet hij nog weinig van zijn vroegere persoonlijke relaties. Hij noemt geen namen, behalve één: ‘Mijn vrouw Cosima Wagner heeft mij hierheen gebracht.’

Ariadne heeft hem niet uit het doolhof kunnen leiden. Cosima Wagner heeft zijn geheime liefde voor haar nooit beantwoord. Niet tijdens het leven van Wagner, die in 1883 stierf, noch daarna. Kennelijk, vul ikzelf in, had Nietzsche diep in zijn hart alle hoop op haar gevestigd. Als enige die hem aanvoelde en begreep, en die hem uit zijn diepe eenzaamheid had kunnen verlossen. Hetgeen niet gebeurd is. Met alle bekende gevolgen van dien.


Literatuur:
Friedrich Nietzsche, complete biografie – Curt Paul Janz, uitgeverij Trion, tweede druk, 1999
Nietzsche, een biografie van zijn denken – Rüdiger Safranski, uitgeverij Olympus, 2000

Eerdere artikelen die ik aan Nietzsche heb gewijd kun je hier lezen, en hier en hier.